Max Pam neemt het op voor Martin Sommer

Columnist Max Pam neemt het vandaag in zijn column in de Volkskrant op voor zijn collega-columnist Martin Sommer. Hij wil hem een hart onder de riem steken, omdat Sommer het op Twitter soms nogal te verduren krijgt. Dat Pam zijn collega een hart onder de riem wil steken is prijzenswaardig. Maar of hij hem daarmee echt een dienst bewijst, is maar de vraag.

Ik voel me door de column van Max Pam aangesproken, omdat ik regelmatig kritiek heb geuit op de columns van Martin Sommer die over energie gingen. Ik vind echter dat Max Pam de situatie verkeerd taxeert. Pam stelt dat Sommer ‘onder druk staat’ vanwege zijn afwijkende standpunten. Hij noemt vervolgens drie bezwaren die genoemd zouden worden tegen de columns van Sommer. De eerste is dat hij ‘rechts’ is en dat dit voor sommigen al voldoende zou zijn om bezwaar te maken. Ten tweede wordt het bezwaar geuit dat Sommer geen kennis van zaken heeft. Maar dat is slechts een retorische truc om je tegenstander zwart te maken, meent Pam. Ten derde wordt gezegd dat de columns van Sommer feitenvrij zijn. Maar een column moet juist feitenvrij zijn, meent Pam. Het gaat immers om de mening van de columnist? Vervolgens noemt Pam mensen die de hoofdredactie van de Volkskrant aanspreken op de columns van Sommer ‘de miezerigste mensensoort dat er bestaat’, ‘misselijke individuen’.

Waarom ben ik het vaak oneens met de columns van Sommer? Omdat Sommer een ‘rechtse’ mening verkondigt? Dat is geenszins het geval. Ik beken mijzelf namelijk niet tot het linkse deel van het politieke spectrum. Ik ben het vaak oneens met linkse politici. Neem het onderwerp milieu en duurzaamheid. Ik deel met linkse politici de wens om stevig en ambitieus klimaatbeleid te voeren en fors in te zetten op duurzame energie. Maar ik ben het lang niet altijd eens met de maatregelen en instrumenten die zij vervolgens propageren. Het debat over energie en klimaat is juist gebaat bij verschillende visies op deze vraagstukken.

Maar dan moeten de feiten die je als columnist presenteert, wel kloppen. En dat is nu juist het punt. Dat Pam meent dat een column feitenvrij moet zijn, is een vreemde visie. Hoe wil je een column schrijven zonder op z’n minst een paar feiten te presenteren? In een column geeft een columnist zijn visie op een bepaalde kwestie. Zijn visie is een interpretatie van een aantal feiten en daarin komt ook zijn ideologie, levensbeschouwing of maatschappijvisie terug. Maar over de feiten zelf kun je het moeilijk met elkaar oneens zijn, of zou je het niet oneens mogen zijn.

Je kunt als columnist dus schrijven dat je windmolens lelijk vindt en zonnepanelen mooi. Dat mag. Niks mis mee, behalve dat sommige lezers het niet met je eens zullen zijn. Smaken verschillen. Het wordt pas problematisch als je als columnist gaat beweren dat windmolens meestal oranje zijn, terwijl ze in werkelijkheid meestal wit zijn. Dan begeef je je in het domein van de feiten en dan moet je zorgen dat die feiten kloppen. Dat is precies mijn bezwaar tegen sommige columns van Sommer: hij heeft de feiten vaak niet op orde. (Ik kan alleen iets zeggen over zijn columns over energie. Ik ben geen expert in de andere onderwerpen die hij aansnijdt. Daar mogen anderen over oordelen.)

Wanneer ik alleen zou roepen dat hij geen verstand van zaken had, maar niet de moeite neem dit te onderbouwen, dan zou er inderdaad sprake kunnen zijn van een retorische truc om je tegenstander zwart te maken. Wat ik echter in mijn blogs heb gedaan, is juist proberen aan te tonen dat het aan de weergave van de feiten schort. Ik heb daarnaast ook een opinieartikel naar de Volkskrant gestuurd waarin ik reageer op Sommer. Deze opinie is echter geweigerd. Ik vind niet dat de Volkskrant de columns van Sommer geen plek meer moet geven. Ik vind vooral dat Sommer ervoor moet zorgen dat de feiten kloppen. Als die kloppen, mag hij schrijven wat hij wil.

De reactie die niet in de Volkskrant kwam

Gisteren heb ik een korte reactie op de column van Martin Sommer van zaterdag opgestuurd naar de Volkskrant. De Volkskrant wilde deze kritiek op haar vaste columnist helaas niet plaatsen. Daarom plaats ik ‘m hieronder. Voor een uitgebreidere reactie, kijk hier.

– – – – – – – – – – – – – – – –

Sommer slaat de plank mis

Columnist Martin Sommer heeft een hekel aan windenergie en het energieakkoord. Dat laat hij steeds weer merken. Dat mag natuurlijk, maar zijn argumenten snijden weinig hout.

Niemand zal ontkennen dat de transitie naar een duurzame energievoorziening geld kost. In de hele wereld wordt echter de overstap van fossiele energie naar duurzame energie gemaakt. China, Amerika, Duitsland, Engeland, Denemarken: zij investeren alle stevig in windenergie en zonne-energie. Deze transitie is niet gratis, maar wel noodzakelijk. Nicholas Stern zei ooit: “Climate change is a result of the greatest market failure that the world has seen.” Voor fossiele energie wordt een hoge prijs betaald, die nu niet op de energierekening terug te vinden is.

In zijn column ‘Het energiekkoord is dood’ van afgelopen zaterdag kijkt Sommer alleen naar de kosten van duurzame energie. De stimulering van windenergie op zee met 18 miljard euro vindt hij onverantwoord. Doordat elektriciteit goedkoper is geworden, is het Energieakkoord nu al dood, meent hij. Op een zonnige en winderige dag produceren windturbines en zonnepanelen immers al zoveel schone elektriciteit dat daardoor de prijs van deze elektriciteit naar nul gaat. “Maar als de elektriciteitsprijs instort, wordt windenergie duurder en kloppen de sommen van het Energieakkoord niet meer”, schrijft hij.

Wie zo’n bewering doet, moet tenminste het instituut dat deze sommen heeft gemaakt (ECN), raadplegen. ECN meldde namelijk onlangs in deze krant dat zij verwacht dat de subsidie voor windenergie op zee ergens tussen de 9 en 18 miljard euro bedraagt, maar eerder 9 dan 18 miljard euro. De 18 miljard is dus het bedrag dat de overheid in het meest negatieve scenario moet uitkeren. Het bedrag wordt daarnaast uitgesmeerd over een periode tot 2038.

Inherent aan de huidige subsidiesystematiek is dat bij een lagere elektriciteitsprijs op de elektriciteitsmarkt windturbines een hogere subsidie krijgen. Deze subsidiesystematiek dateert echter al van vóór het Energieakkoord en geldt voor alle energietechnologieën. Dus ook voor zonne-energie en waterkracht. Het is dus onjuist om windenergie en het energieakkoord daarvan de schuld te geven. Windenergie op land is trouwens één van de goedkoopste vormen van duurzame elektriciteitsopwekking.

Veel relevanter dan de elektriciteitsprijs op een bepaald moment van een winderige dag is het effect van zonne- en windenergie op de jaargemiddelde elektriciteitsprijs. Omdat de subsidies voor duurzame energie over een periode van vijftien jaar worden uitgekeerd, moet je daarnaast naar de verwachte elektriciteitsprijs over deze hele periode kijken. De prijs van elektriciteit is op dit moment inderdaad lager door de lage prijs van kolen, maar in 2017 zal de stroomprijs naar verwachting weer stijgen.

Sommer verwijst naar The Economist, waarin gesuggereerd wordt om vanwege de lage olieprijs alle subsidies op energie nog eens tegen het licht te houden. Maar The Economist heeft het expliciet over subsidies op fossiele energie en adviseert om deze subsidies op fossiele brandstoffen af te bouwen. Hij verwijst ook naar de studies van het CPB over windenergie, maar meldt niet dat onderzoek van SEO aangeeft dat windparken op een zee Nederland tussen de 1,2 en 12,3 miljard euro opleveren.

Helemaal bont maakt Sommer het als hij over de extra kosten voor huishoudens schrijft: “Een bedrag van 500 euro extra per jaar per gezin doet de ronde.” Schrijft Sommer zijn columns op basis van informatie die ‘de ronde doet’?

Op het energieakkoord is terechte kritiek mogelijk. Ook voorstanders van duurzame energie uiten deze kritiek. Maar Sommer lijkt alleen geïnteresseerd te zijn in het verdacht maken van windenergie en het energieakkoord. De ombudsvrouw van de Volkskrant schreef onlangs: “Alle meningen zijn welkom, mits de feitelijke argumentatie klopt.” Dit criterium zou ook voor de columns van Martin Sommer moeten gelden. Helaas is de feitelijke argumentatie van Sommer zeer zwak.

Martin Sommer slaat de plank weer mis

Zaterdag was het weer zover: columnist Martin Sommer liet zijn ongenoegen over windenergie en het energieakkoord de vrije loop. Het staat Sommer vrij zijn afkeer van windenergie tot vermoeiens toe te etaleren, maar argumentatie blijkt niet zijn sterkste kant te zijn.

Dat Martin Sommer een hekel heeft aan windmolens is inmiddels genoegzaam bekend. Dat hij het energieakkoord graag naar de prullenbak ziet verdwijnen ook. Wat Sommer echter steeds weer verzuimt, is een heldere argumentatie te geven en zijn visie te onderbouwen met harde gegevens. Daardoor krijgt zijn niet aflatende gevecht tegen windmolens het karakter van een hetze. Voor de helderheid: kritiek op het energieakkoord is prima en niemand wordt gedwongen windturbines mooi te vinden. Maar als columnist van de Volkskrant ben je het aan je stand verplicht meer te doen dan het napraten van een aantal klimaatsceptische websites. Wat je beweert, moet je kunnen onderbouwen. Daarin faalt Sommer.

In zijn column ‘Het Energieakkoord is dood’ gaat het weer mis. Het belangrijkste punt dat Sommer lijkt te willen maken is dat goedkope elektriciteit de doodsteek is voor het energieakkoord. Op een zonnige en winderige dag produceren windturbines en zonnepanelen inmiddels al zoveel schone elektriciteit dat daardoor de prijs van deze elektriciteit naar nul gaat. “Maar als de elektriciteitsprijs instort, wordt windenergie duurder en kloppen de sommen van het Energieakkoord niet meer”, aldus Sommer. Windenergie wordt uiteraard niet duurder, maar Sommer bedoelt waarschijnlijk dat er meer subsidie moet worden uitgekeerd omdat het verschil tussen kostprijs en opbrengst groter wordt. Wie dergelijke beweringen doet, zou op z’n minst het instituut dat deze sommen heeft gemaakt (ECN), moeten raadplegen. Sommer weet het antwoord blijkbaar al: het energieakkoord is ten dode opgeschreven.

Sommer geeft blijk weinig te begrijpen van de systematiek van de subsidiëring van duurzame energie in Nederland. De 18 miljard euro waarover Sommer schrijft, betreft alle geprognosticeerde uitgaven door het Rijk aan SDE+-subsidie over een periode van meer dan vijftien jaar. Het betreft het verplichtingenbudget voor subsidiebeschikkingen die in de periode 2015-2019 worden aangegaan om 3.450 MW aan windenergie op zee in 2023 draaiend te hebben. De kasuitgaven voor deze aangegane subsidies lopen tot 2038 en bedragen gemiddeld zo’n 900 miljoen euro per jaar. Had Sommer zijn eigen Volkskrant gelezen, dan had hij gezien dat ECN verwacht dat de 18 miljard euro eerder op 9 miljard euro uitkomt. Verderop schrijft Sommer dat het Rijk 3 miljard euro per jaar wil toeleggen op windenergie op zee. Dat getal klopt niet: Sommer verwart waarschijnlijk de 3 miljard euro met de 3,5 miljard euro die dit jaar als maximaal budget beschikbaar is voor de subsidiëring van duurzame energie gedurende een periode van 15 jaar.

Niemand zal ontkennen dat een lagere elektriciteitsprijs betekent dat er meer subsidie moet worden uitgekeerd. Dat is inherent aan de gekozen subsidiesystematiek. Het vreemde is dat Sommer hiervan het energieakkoord de schuld geeft. Deze subsidiesystematiek (SDE+) dateert echter al van vóór het Energieakkoord en het effect dat Sommer beschrijft, geldt voor alle technologieën. Wat nieuw is aan het Energieakkoord is dat er stevig wordt ingezet op windenergie op zee. Wat Sommer echter vergeet is dat het Energieakkoord een kostenbesparing is ten opzichte van de afspraken die in het regeerakkoord zijn gemaakt. De lasten voor burgers en bedrijven stijgen minder hard door het energieakkoord. Sommer versmalt het energieakkoord daarnaast tot een akkoord over windenergie. Het energieakkoord gaat over veel meer dan de stimulering van windenergie op zee. Weet Sommer trouwens dat windturbines op land één van de goedkoopste vormen van duurzame elektriciteitsopwekking zijn?

De lage elektriciteitsprijs is inderdaad deels een gevolg van meer windmolens en zonnepanelen, vooral in Duitsland. Het klopt dat gascentrales in Nederland last hebben van goedkope (Duitse) elektriciteit. Sommer verzuimt zijn lezers echter inzicht te geven welke invloed wind- en zonnestroom op dit moment op de jaargemiddelde elektriciteitsprijs heeft. Dat is veel relevantere informatie dan de elektriciteitsprijs gedurende een paar uren op een bepaalde dag. In de subsidiesystematiek wordt overigens ook rekening gehouden met deze zogenaamde ‘profielkosten’. Sommer lijkt daarvan niet op de hoogte, evenmin als van de basiselektriciteitsprijs die een garantie is voor de overheid tegen te hoog oplopende subsidie-uitgaven. Sommer verzuimt ook te melden dat industriële grootverbruikers in Nederland de lage elektriciteitsprijzen maar wat fijn vinden.

Dan de lage olieprijs. Volgens Sommer is energie helemaal niet schaars meer en dat blijkt maar uit de sterk gedaalde olieprijs. Hoe Sommer dit aan de elektriciteitsprijs in West-Europa verbindt, is onduidelijk. De belangrijkste factor voor de elektriciteitsprijs is immers niet de olieprijs, maar de prijs van kolen. Omdat de subsidies voor duurzame energie over een periode van vijftien jaar worden uitgekeerd, is het zaak naar de verwachte elektriciteitsprijs over deze hele periode te kijken. Dat doet Sommer niet.

Sommer verwijst naar The Economist, waarin gesuggereerd wordt om, vanwege de lage olieprijs, alle subsidies op energie nog eens tegen het licht te houden. Sommer spant hier The Economist voor z’n eigen anti-windenergie-karretje. The Economist heeft het namelijk expliciet over subsidies op fossiele energie. Om The Economist te citeren: “Especially in non-democratic states, subsidies are seen as crucial to maintaining social stability. But as energy prices rose during the 2000s, so did the cost of the handouts. The value of fossil-fuel subsidies around the world increased by 60% from 2007 to 2013, eventually reaching $550 billion, according to the International Energy Agency. In many countries, they overshadow spending on health care or education.”

Uiteraard komt Sommer met de studies van het CPB over windenergie op de proppen. Dat is zijn goed recht, maar dan behoor je toch tenminste te vermelden dat de methode van het CPB niet onomstreden is en dat er ook een onderzoek van SEO ligt dat aangeeft dat windparken op een zee een goede investering zijn en Nederland ergens tussen de 1,2 en 12,3 miljard euro opleveren. Helemaal bont maakt Sommer het als hij over de extra kosten voor huishoudens schrijft: “Een bedrag van 500 euro extra per jaar per gezin doet de ronde.” Dit is werkelijk een slag in de lucht en een journalist onwaardig. Schrijft Sommer echt zijn columns op basis van informatie die ‘de ronde doet’? Pijnlijk en veelzeggend is zijn opmerking dat er voor 10.450 mW aan windenergie moet worden bijgebouwd. Een MW is wat anders dan een mW, daar zit een factor van een miljard verschil tussen…

Tot slot spreekt Sommer zichzelf tegen. Hij schrijft dat het energieakkoord dood is en tegelijkertijd suggereert hij dat er geen ‘kerels’ in de Tweede Kamer zitten die minister Kamp tot de orde roepen. Dat laatste zegt vooral dat Sommer de talloze debatten in de Tweede Kamer over het energieakkoord en duurzame energie niet gevolgd heeft. Maar als het energieakkoord toch al dood is en de ambities niet meer haalbaar zijn, waar maakt Sommer zich dan nog druk over?

Niemand met ook maar een beetje verstand van duurzame energie zal ontkennen dat duurzame energie niet gratis is en er kosten moeten worden gemaakt om deze in te passen in het huidige elektriciteitssysteem. In de hele wereld wordt de overstap van fossiele energie naar duurzame energie gemaakt. China, Amerika, Duitsland, Engeland, Denemarken: zij investeren alle stevig in windenergie en zonne-energie. Deze duurzame energietransitie is niet gratis en niet eenvoudig. Hoe gaan we alle duurzame energie inpassen? Hoeveel conventionele centrales hebben we als back-up nodig en hoe financieren we dat? Hoeveel elektriciteitsopslag is nodig? Kunnen we elektriciteit omzetten naar gas of naar warmte? Hoe houden we energie betaalbaar en beschikbaar? We staan nog maar aan het begin van die zoektocht, maar we zien veel veelbelovende ontwikkelingen. Kijk bijvoorbeeld naar de kostprijsontwikkeling van zonne-energie, windenergie, elektriciteitsopslag en elektrische auto’s.

Waarom een duurzame energietransitie? Niemand met ook maar een beetje verstand van klimaatverandering zal ontkennen dat vervuiling door fossiele energieproductie ook een prijs heeft. Wanneer we op de uitstoot van CO2 een prijs zouden leggen van 50 euro per ton (daar rekent het grootste oliebedrijf ter wereld mee!), dan zouden windturbines op land nu al goedkoper zijn dat stroom uit een kolencentrale. Duurzame energie heeft een prijs, maar vervuiling en klimaatverandering ook. Subsidies kunnen ook een vorm van correctie van marktfalen zijn. Zoals Sir Nicholas Stern ooit zei: “Climate change is a result of the greatest market failure that the world has seen.” Daarnaast levert de productie van duurzame energie veel meer banen op dan de winning van fossiele energie.

Er is goede kritiek mogelijk op het energieakkoord. Bijvoorbeeld dat de polder niet moet regeren, maar het kabinet. Of dat het geen politiek akkoord is. Of dat er teveel focus ligt op duurzame elektriciteit en te weinig op energiebesparing en duurzame warmte. Of dat de afspraken niet hard genoeg zijn. Of dat de industrie teveel ontzien wordt. Dat is allemaal legitieme kritiek, die overigens ook te bespeuren is bij de organisaties die het akkoord hebben ondertekend. Maar wat Sommer doet, is zijn eigen stokpaardjes berijden. Hij checkt geen cijfers. Hij legt verbanden die er niet zijn. Hij insinueert en gebruikt roddelpraat als bron. Hij blijkt ook niet goed op de hoogte van de (complexe) subsidiesystematiek. Sommer heeft niet veel op met windenergie en laat geen moment voorbij gaan om dat te etaleren. De argumenten doen er eigenlijk niet zoveel toe.

Niet zo lang geleden publiceerde de Volkskrant een opinieartikel van een chemicus die allerlei onwaarheden over klimaatverandering schreef. Zelfs de wetenschapsredactie van de Volkskrant zelf reageerde verontwaardigd. De ombudsvrouw van de Volkskrant schreef in reactie op de commotie daarover: “Ook van de Volkskrant mag verwacht worden dat zij zo’n belangrijke discussie op kwalitatief hoogwaardig niveau begeleidt. Alle meningen zijn welkom, mits de feitelijke argumentatie klopt.” Dit criterium zou ook voor de columns van Martin Sommer moeten gelden: zijn mening is welkom, mits zijn feitelijke argumentatie klopt. Maar aan dat laatste schort het vaak.

Lees ook:

https://jaspervis.wordpress.com/2015/02/21/welke-energiebron-wil-martin-sommer-dan-wel

https://jaspervis.wordpress.com/2015/01/11/nieuwsuur-sloeg-de-plank-mis-over-windenergie-samenvatting

https://henribontenbal.wordpress.com/2014/02/20/3-000-banen-minder-door-windmolens-op-zee

https://henribontenbal.wordpress.com/2013/12/10/reactie-op-vk-artikel-martin-sommer

Zijn nieuwe energieleveranciers goedkoper?

Energieleveranciers maken soms graag hun aanbod aan nieuwe klanten wat moeilijker dan nodig is. De wijze waarop energieleveranciers hun aanbod presenteren, wordt op hoofdlijnen ingekaderd door de ACM, maar toch is er nog veel onduidelijkheid bij consumenten. De laatste jaren bestormde een aantal nieuwe energieleveranciers de energiemarkt. Zij hanteren andere tarieven dan de ‘klassieke’ energieleveranciers, maar voor consumenten is vaak niet duidelijk wat de consequenties daarvan zijn voor hun energierekening.

Wie met een nieuwe energieleverancier in zee wil gaan, moet beseffen dat het aanbod van de energieleverancier minder complex is dan het op het eerste gezicht lijkt. De uiteindelijke energierekening is wel complex, maar op veel componenten daarvan heeft de energieleverancier geen invloed. Zo worden op de energierekening de kosten voor het gebruik van het elektriciteitsnet en het gasnet doorberekend, maar dat zijn kosten waar de consument niets aan kan doen en waar de energieleverancier niets aan kan veranderen. Datzelfde geldt voor de belastingen die over de levering van gas en elektriciteit in rekening worden gebracht.

Let’s keep it simple. Uiteindelijk heeft de energieleverancier in feite maar twee knoppen waar hij zelf aan kan draaien: het (kale) leveringstarief en het vastrecht. Elektriciteit en gas zijn twee verschillende producten en je zou als consument beide ook eigenlijk zo moeten bekijken: je sluit immers twee verschillende contracten af en je kunt als consument je elektriciteit afnemen bij een andere energieleverancier dan je gas. Uiteraard zal elke energieleverancier je aanraden beide producten bij hem af te nemen, maar dat hoeft dus niet.

Laten we als voorbeeld naar elektriciteit kijken. De energieleverancier biedt de consument een contract waarin hij een vast bedrag per maand in rekening brengt (vastrecht) en een bedrag per geleverde kWh stroom (leveringstarief). De consument betaalt daar bovenop nog de netwerkkosten, energiebelasting, opslag duurzame energie en btw, maar die zijn voor elke energieleverancier gelijk. Bij het vergelijken van energieleveranciers hoef je dus met maar twee dingen rekening te houden: vastrecht en leveringstarief. Moeilijker is het niet.

Wat het toch moeilijker maakt, is dat energieleveranciers verschillende contracten aanbieden: variabel, 1 jaar vast, 2 jaar vast, 3 jaar vast. Ook kun je kiezen voor enkeltarief en dubbeltarief. Wat dat laatste betreft: als vuistregel geldt dat bij meer dan 60% van het stroomverbruik tijdens piekuren het enkeltarief goedkoper is. Wanneer je kiest voor een contract met een vaste looptijd, dan loop je geen risico op een prijsstijging. Dat betekent echter ook dat je niet kunt profiteren van een verwachte of onverwachte prijsdaling. Je ‘koopt’ een stuk zekerheid in de elektriciteitsprijs.

Een belangrijk aandachtspunt is het vastrecht. Sommige energieleveranciers kiezen ervoor om een laag leveringstarief in rekening te brengen, maar een hoog vastrecht. Bij een hoger vastrecht en een lager leveringstarief zijn vooral de consumenten met een hoog elektriciteitsverbruik beter af. Bij een lager vastrecht en een hoger leveringstarief zijn vooral de energiezuinige consumenten beter af. Het is daarom belangrijk het aanbod van verschillende energieleveranciers te vergelijken op basis van het elektriciteitsverbruik in combinatie met het vastrecht.

Om dit illustreren geef ik van drie energieleveranciers weer welk enkeltarief en vastrecht zij aanbieden voor een variabel contract met ‘groene’ stroom. (Wat ‘groene’ stroom precies is, laat ik even liggen voor een andere keer…). De prijzen zijn exclusief btw, energiebelasting, opslag duurzame energie en netwerkkosten (vanaf 1 juli 2014).

Leverancier vastrecht per maand enkeltarief
Eneco (Ecostroom) 1,905 0,07066
Vandebron (‘direct van de bron’) 4,132 0,06410
Pure Energie (Windstroom) 2,000 0,06303

Om te weten welke energieleverancier het goedkoopst is, moet je het enkeltarief vermenigvuldigen met het elektriciteitsverbruik en daar het vastrecht bij optellen. In onderstaande grafiek zijn de totale kosten (vastrecht + verbruik x leveringstarief) bij verschillende verbruiken weergegeven.

energieleveranciers

Uit deze grafiek blijkt dat bij een zeer laag verbruik (<150 kWh per jaar) Eneco het goedkoopst is (interessant voor consumenten met zonnepanelen); daarboven is Pure Energie het goedkoopst. Vandebron is voor alle verbruiken duurder dan Pure Energie, maar Vandebron is boven een verbruik van ca. 4.075 kWh goedkoper dan Eneco.

Deze vergelijking kent uiteraard een aantal beperkingen: er zijn maar drie energieleveranciers vergeleken op basis van één soort contract (elektriciteit, variabel, zonder overstapkorting). Daarnaast is alleen gekeken naar de prijs en niet naar tal van andere belangrijke zaken: service, imago, innovativiteit, stroombron, bijdrage aan een duurzame energievoorziening, etc. Bovenstaande vergelijking is daarom – nogmaals – niet bedoeld als een overstapadvies, maar slechts als illustratie van wat het variëren van het leveringstarief en het vastrecht betekent voor de totale kosten bij een bepaald verbruik. De consument moet zich daar bewust van zijn. Dat geldt ook voor aanbiedingen die via een energiecollectief of energieveiling worden gedaan.

PS. Tarieven kunnen wijzigen en bovenstaande tarieven zijn een momentopname. Wanneer er onverhoopt een fout in deze blog geslopen is, hoor ik dat graag. Ik zal deze blog dan aanpassen.

Minder belastingvermindering

Het Belastingplan 2015 bevat een opvallende maatregel, die op het eerste gezicht niet zoveel om het lijf heeft: een verlaging van de belastingvermindering op de energiebelasting. Het kabinet wil deze belastingvermindering volgend jaar met 6,78 verlagen. So what?

Over het verbruik van gas en elektriciteit moet energiebelasting worden betaald. Deze energiebelasting wordt deels gecompenseerd door een belastingvermindering op de energiebelasting. De afgelopen jaren was deze belastingvermindering voor verblijfsruimten € 318,62 (excl. btw) en voor niet-verblijfsruimten € 119,62 (excl. btw). De belastingvermindering op energiebelasting is voortgekomen uit de heffingsvrije voeten op de energiebelasting. Het idee bij deze heffingsvrije voeten was dat elk huishouden een bepaalde hoeveelheid energie onbelast mag verbruiken. Daarnaast werd met de introductie van het capaciteitstarief (kosten voor het gebruik van het elektriciteitsnet) een compensatie toegevoegd aan de belastingvermindering op energiebelasting. De belastingvermindering is de afgelopen jaren niet geïndexeerd, terwijl de tarieven van de energiebelasting wel geïndexeerd zijn.

Het kabinet wil de belastingvermindering voor niet-verblijfsruimten helemaal schrappen en de belastingvermindering voor verblijfsruimten in 2015 met € 6,78 verlagen. De motivatie is tweeledig. In de eerste plaats wil het kabinet hiermee de ‘uitbreiding vrijstelling zelfopwekking naar de huursector’ financieren. Het Belastingplan 2015 formuleert het zo: “Deze verruiming voor de verhuursector gaat gepaard met een budgettaire derving die zal worden gedekt door een verlaging van de vaste belastingvermindering in de energiebelasting voor WOZ-objecten met verblijfsfunctie.”

In de tweede plaats wil het kabinet de belastingderving als gevolg van het Arrest Fuchs compenseren. Het Arrest Fuchs heeft het ervoor gezorgd dat huishoudens de btw op de aanschaf van hun zonnepanelen kunnen terugvragen (via de kleine-ondernemersregeling). In het Belastingplan 2015 staat: “Door het met btw-ondernemerschap gepaard gaande recht op aftrek van btw en de werking van de kleine ondernemersregeling heeft dit arrest een budgettaire derving tot gevolg. Om de derving als gevolg van het arrest te dekken, zal de vaste belastingvermindering in de energiebelasting voor WOZ-objecten met verblijfsfunctie (nu € 318,62) stapsgewijs worden verlaagd en de belastingvermindering voor WOZ-objecten zonder verblijfsfunctie (nu € 119,62) worden afgeschaft. Deze dekking uit de belastingvermindering in de energiebelasting komt bovenop de dekking voor de hiervoor genoemde uitbreiding van de vrijstelling voor zelfopwekking naar de huursector.”

Als we naar 2015 kijken, dan rekent het kabinet met een belastingderving van € 3 miljoen voor de uitbreiding van salderen naar de huursector en € 66 miljoen voor de belastingderving door het Fuchs-arrest.

Met deze aanpassing in de belastingvermindering maakt het kabinet een aantal bijzondere bewegingen. De belastingderving als gevolg van het salderen van duurzame elektriciteit bij woningen en gebouwen waar de zonnepanelen in eigendom zijn van de verbruikers, groeit nog steeds, maar deze derving is nog nooit gecompenseerd via een verlaging van de belastingvermindering op energiebelasting. De uitbreiding naar de huursector wordt – voor het eerst! – via deze route ‘gerepareerd’.

Even opvallend is de reparatie van de btw-derving. In Nederland zijn er zo’n 7,5 miljoen huishoudelijke elektriciteitsaansluitingen en nog eens zo’n half miljoen niet-huishoudelijke aansluitingen. De verlaging van de belastingvermindering levert volgend jaar dus zo’n € 55 miljoen op, exclusief het schrappen van de belastingvermindering voor WOZ-objecten zonder verblijfsfunctie. De door de Oostenrijker Fuchs veroorzaakte btw-subsidie op zonnepanelen wordt dus gecompenseerd door alle huishoudens € 6,78 extra energiebelasting te laten betalen. Het is opvallend dat het kabinet deze btw-derving compenseert via de energiebelasting en niet via (een aanpassing van) de kleine-ondernemersregeling.

Het is voor het eerst dat derving van belasting door de groei van zonnepanelen gecompenseerd wordt door een verlaging van de belastingvermindering op energiebelasting. Andere maatregelen die derving van energiebelasting tot gevolg hebben, werden tot op heden gecompenseerd via een verhoging van de tarieven. Het lijkt er dus op dat niet alleen het verhogen van de tarieven, maar ook een verlaging van de belastingvermindering tot het pakket van instrumenten gaat horen dat wordt ingezet om de inkomsten uit de energiebelasting op een gelijk niveau te houden. Houdbaar is dit op de lange termijn echter niet. Want als de capaciteit aan zonne-energie fors blijft groeien en energiebesparing in woningen daadwerkelijk van de grond komt, zullen de belastinginkomsten met honderden miljoenen euro’s dalen. Dat blijven compenseren door andere huishoudens de derving te laten ophoesten, is onhoudbaar.

Salderen: tegen piek- of daltarief?

“Financiële kater voor consument met zonnepanelen”, kopte de Telegraaf afgelopen zaterdag. Door anderen (bijv. Peter Segaar) en ondergetekende is regelmatig gewezen op de slechte kwaliteit van het stukje wetgeving waarin het salderen van duurzame elektriciteit is geregeld. Vanaf de introductie van de salderingsregeling in 2004 tot op heden zijn er problemen geweest met de interpretatie en de uitvoering ervan door energieleveranciers en netbeheerders. Dit keer gaat het over de manier waarop energieleveranciers omgaan met piek- en daltarief. Hoe zit het?

De Telegraaf baseert haar bericht op een persbericht van Gaslicht.com. In dit bericht stelt Gaslicht.com: “Een energiecontract met een dag- en nachttarief kan zonnepaneelbezitters een aanzienlijke financiële strop opleveren. Bij sommige energieleveranciers krijgen deze consumenten behoorlijk minder terug voor hun opgewekte energie dan klanten met een enkel tarief.” In het persbericht van Gaslicht.com ontbreekt echter een financiële doorrekening. Hoe groot is de financiële strop?

Eerst de zaak waarom het draait. Het salderen van zonnestroom is bij een contract op basis van het enkeltarief vrij simpel. De energieleverancier streept de aan het elektriciteitsnet geleverde zonnestroom weg tegen het verbruik. Daarbij gaat het om alle componenten van het totale leveringstarief (leveringskosten, energiebelasting, opslag duurzame energie, btw). Wordt er meer teruggeleverd dan er wordt verbruikt, dan geeft de energieleverancier over het overschot een terugleververgoeding (meestal het kale leveringstarief).

Maar hoe gaan energieleveranciers om met het salderen bij dubbeltarief? De Elektriciteitswet is daarover niet duidelijk. Nooit geweest. Het zou redelijk zijn als de zonnestroom die op de momenten dat het piektarief geldt, wordt opgewekt, ook tegen het piektarief wordt weggestreept. De meeste energieleveranciers lijken dat ook te doen. Maar het komt voor dat zonnestroomproducenten meer zonnestroom aan het net terugleveren tijdens piektariefuren dan zij aan afname tijdens piektariefuren hebben. Hoe gaan energieleveranciers dan om met het overschot? Volgens het overzicht van Gaslicht.com strepen sommige energieleveranciers dit ‘piektariefoverschot’ weg tegen het daltarief en andere geven er slechts de terugleververgoeding voor.

Een paar opmerkingen bij de berichtgeving van Gaslicht.com.

  1. Deze kwestie speelt alleen bij zonnepanelenbezitters die (in piektariefuren) meer zonnestroom aan het elektriciteitsnet terugleveren dan zij aan ‘piektariefverbruik’ hebben. Hoeveel zijn dat er?
  2. Zonnestroom wordt inderdaad voornamelijk tijdens piektariefuren geproduceerd, maar niet uitsluitend. Voor weekenden en feestdagen geldt immers ook het daltarief.
  3. Wanneer energieleveranciers voor het ‘piektariefoverschot’ slechts een terugleververgoeding in rekening brengen, terwijl zij dit overschot nog kunnen salderen met het daltariefverbruik, dan houden zij zich niet aan de wet. In de Wet Belastingen op Milieugrondslag (WBM) staat immers dat de energiebelasting en de opslag duurzame energie gesaldeerd dienen te worden. Hierin wordt geen onderscheid gemaakt tussen piek- en daltarief. Als energieleveranciers dit niet doen, overtreden zij de wet.
  4. Wanneer energieleveranciers het ‘piektariefoverschot’ salderen met het daltariefverbruik, lijkt mij dat in het geheel niet onredelijk. (Het verschil is ongeveer 2 cent per kWh.) Je kunt niet van energieleveranciers verwachten dat zij de productie van zonnestroom uit eigen zak gaan betalen, want dat is wat er in feite gebeurt als een energieleverancier het piektarief zou betalen. Niet vergeten moet worden dat het salderen een ‘overheidsingreep in de energiemarkt’ is: de verplichting voor energieleveranciers om hetzelfde te betalen voor de zonnestroom van hun klanten als zij in rekening brengen voor de stroom die zij aan deze klanten leveren, is een vorm van subsidie.
  5. Het is onduidelijk of er ook energieleveranciers zijn die alle zonnestroom salderen op basis van het daltarief. Is Gaslicht.com geen één leverancier die dat doet, tegengekomen?

Hoe groot is nu de ‘financiële strop’, waarover Gaslicht.com schrijft? Zoals ik hierboven heb geschreven, is het geven van (slechts) een terugleververgoeding voor het ‘piektariefoverschot’ simpelweg onwettig. Ik vraag me af of de energieleveranciers die Gaslicht.com daarvan beticht, daadwerkelijk de energiebelasting niet salderen zoals het behoort. Zij hebben daar immers geen enkel belang bij. Is dat wel het geval, dan innen de betreffende energieleveranciers een paar tientjes teveel aan belasting. Dat is geen ‘maas in de wet’, dat is onwettig.

Wat zou het verschil kunnen zijn tussen een zonnepanelenbezitter met een dubbeltarief en één met een enkeltarief? Stel: een huishouden verbruikt 3.000 kWh per jaar, waarvan 1.500 kWh in het daltarief; de teruglevering van zonnestroom in het piektarief is 2.000 kWh in het piektarief en 1.000 kWh in het daltarief; het directe verbruik zetten we voor het gemak op nul. Het ‘piektariefoverschot’ is dan 500 kWh, dat tegen daltarief in plaats van tegen piektarief wordt afgerekend. Het verschil is dan ongeveer 12 euro. Dat kun je moeilijk een financiële strop noemen.

Update: Energieleverancier Delta heeft inmiddels laten weten dat de informatie op Gaslicht.com niet klopt. Delta heeft gelijk, zoals blijkt uit deze energienota van het afgelopen jaar van een zonnepanelenbezitter.

Explosieve groei zonne-energie in Nederland?

In 2015 wil 10% van de huishoudens in Nederland zonnepanelen laten installeren, aldus marktonderzoeker GfK. Laten we er voor het gemak vanuit gaan dat deze cijfers kloppen. Laten we vervolgens aannemen dat zo’n 25% ook de daad bij het woord voegt. Pakken we de cijfers van het CBS erbij, dan komen we uit op circa 182.000 woningen die in 2015 zonnepanelen krijgen. Met een gemiddelde systeemgrootte van 2 kWp per huishouden komen we dan op een totaal nieuw geïnstalleerd vermogen van 364 MW in 2015. Als we nog even doordromen en we gaan er vanuit dat op daken van kantoren, bedrijfspanden en op de grond een zelfde hoeveelheid zonnepanelen wordt geplaatst, dan komen we op een nieuw geplaatst vermogen van 728 MW. Eind 2013 was het totaal geïnstalleerde vermogen 722 MW. Gaat Nederland in 2015 in één jaar evenveel zonnepanelen installeren als het totaal aantal zonnepanelen dat is geïnstalleerd tot eind 2013? Dat zou een explosieve groei zijn!