C2C: hype of oplossing?

Is ‘cradle to cradle’ (C2C) een oud concept in een nieuw jasje of is het een verrassend nieuwe visie op onze omgang met materialen en milieu? Inmiddels bokst een groep enthousiaste voorstanders op tegen een groeiende groep sceptische critici. Inderdaad, kritiek is mogelijk en nodig. Maar het enthousiasme moet blijven. In dit artikel is gekozen voor een constructieve bespreking van deze visie. Wat is goed? Wat kan beter?

De C2C-visie is door de bedenkers Michael Braungart en William McDonough uitvoerig uiteengezet in het boekje ‘Cradle to Cradle: Remaking the Way We Make Things’, vertaald met ‘Cradle to Cradle: Afval is voedsel’. Het eerste hoofdstuk heet ‘Een nieuwe industriële revolutie’ en zet direct de toon. Milieubewustzijn zet meestal aan tot schuldgevoel, consuminderen en minimaliseren, maar zo hoeft het niet, stellen de auteurs. Kijk maar naar een uitbundig bloeiende kersenboom. Je zou deze kunnen zien “als een ‘verspilling’ van vormen, kleuren, energie en grondstoffen. Het is verspilling die essentieel is voor de vitaliteit van de natuur – alle elementen keren terug in de kringloop. Het gaat er dus niet zozeer om dat we onze ecologische voetafdruk verminderen of compenseren, maar dat we van die voetafdruk een natuurlijk klimaat moeten zien te maken dat ‘oneindigheid’ oplevert.”

Braungart en McDonough pleiten voor een circulaire benadering van de productieketen. “De industriële infrastructuur zoals we die nu kennen is in beginsel lineair. Hij is gericht op het maken van een product en op het zo snel en goedkoop mogelijk bij de klant brengen daarvan, zonder rekening te houden met andere zaken. ” Deze manier van produceren kan getypeerd worden als ‘cradle to grave’, van wieg tot graf. Het product belandt na gebruik op de vuilstortplaats of wordt verbrand.

De eerste reactie op de milieucrisis kan getypeerd worden als ‘eco-efficiency’. In deze visie moet zo zuinig mogelijk worden omgegaan met materialen en energie. Beperken, hergebruiken en recyclen is het motto. Maar beperken is geen oplossing op de lange termijn, zo stellen de auteurs. Hergebruiken komt in de praktijk vaak neer op het verplaatsen van afval. Recyclen is downcyclen: hoogwaardige materialen verliezen daardoor hun waarde. Eco-efficiency is “minder slecht, maar nog niet goed”. Eco-efficiency leidt daarnaast tot een collectief schuldgevoel. “In plaats van een inspirerende en positieve visie op veranderingen, gaat men meestal uit van een conventionele benadering van het milieu en aanwijzingen over hoe het niet moet.”

Braungart en McDonough stellen daartegenover het principe van ‘eco-effectiviteit’. De bloeiende kersenboom is van dit principe een goed voorbeeld. De boom produceert meer dan het voor haar eigen bestaan nodig heeft. Eco-effectief ontwerpen is ontwerpen met meer voor ogen dan alleen het hoofddoel. Het product wordt afgerekend op het totaalplaatje van functies die het kan vervullen.

In de natuur is afval tegelijk voedsel. Deze materiaalstroom bestaat uit biologische voedingsstoffen en maken onderdeel uit van de biosfeer. Het systeem van industriële processen wordt door de auteurs de technosfeer genoemd; technologische voedingsstoffen maken onderdeel uit van dit systeem. De huidige manier van produceren is er zelden op gericht biologische voedingsstoffen aan de natuur terug te geven. Hetzelfde geldt voor de technologische voedingsstoffen. ‘Monsterlijke hybriden’ in producten maken het onmogelijk technologische voedingsstoffen van elkaar en van biologische voedingsstoffen te scheiden, waardoor ze voor beide sferen verloren gaan.

We moeten naar een systeem waarin het concept afval niet bestaat. “Het afvalconcept elimineren betekent dingen – producten, verpakkingen en systemen – vanaf het eerste begin ontwerpen naar het inzicht dat afval niet bestaat. ” “Producten kunnen op deze manier bestaan uit materialen die biologisch afbreekbaar zijn en voedsel worden voor de biosfeer. Of ze bestaan uit technische grondstoffen die in een gesloten technosfeer blijven circuleren als waardevolle voedingsstoffen voor de industrie ”. Beide sferen mogen elkaar niet besmetten, willen deze sferen waardevol blijven. In plaats van downcyclen moet gekozen worden voor upcyclen: bij het ontwerp is al nagedacht over het volgende ‘leven’ van de technische voedingsstoffen.

Braungart en McDonough stellen voor het concept ‘dienstproduct’ verder uit te werken en te implementeren. De consument wil geen televisie, zij wil televisie kijken, zo stellen zij. Consumenten moeten dus voor een bepaalde periode diensten kunnen kopen. Op die manier krijgt de consument wat zij wil, en blijft de producent eigenaar van de materialen en wordt op die manier gestimuleerd het product steeds te verbeteren en de materialen opnieuw te gebruiken. Bij vloerbedekkingen wordt deze vorm van ‘eco-lease’ reeds toegepast.

De auteurs hekelen de ‘one size fits all’-benadering: een bepaald product moet overal op dezelfde wijze worden gemaakt en toegepast. Dit leidt tot ongewenste uniformiteit. Sommige steden bestaan slechts uit beton, asfalt en tl-verlichting. De auteurs noemen dat ‘een cultuur van monocultuur’ . Duurzaamheid leidt tot diversiteit en is altijd lokaal. Het sluit aan bij de behoefte van mensen, aanwezige materialen en energie.

Tot zover de ideeën van Braungart en McDonough. Op hun ideeën is veel respons gekomen, van uiterst positief tot uiterst negatief. Sommige fabrikanten proberen het C2C-concept reeds toe te passen in de productie. Het onderwerp staat regelmatig op het programma van symposia over duurzaamheid. Gemeenten en overheden zijn enthousiast en willen ermee aan de slag. Het denken in termen van groei, kansen en mogelijkheden – en niet in termen van ‘schuldmanagement’ en consuminderen – kan op veel enthousiasme rekenen.

Kritiek

Maar er zijn ook kanttekeningen te plaatsen. Die zijn dan ook veelvuldig geplaatst. Samengevat:

1. C2C ‘recyclet’ bestaande ideeën, bijvoorbeeld het denken in termen van ecologische kringlopen. Het instrument van de levenscyclusanalyse (LCA), een geformaliseerd wiskundig model om de milieubelasting van een product uit te rekenen, kwantificeert daarnaast gedetailleerd wat in de C2C-ontwerpstrategie moeilijk te kwantificeren valt.

2. Maakt de C2C-gedachte van constante groei en ‘afval = voedsel’ zich niet opnieuw schuldig aan het niet willen accepteren dat er grenzen zijn aan groei? De bewering dat duurzame consumptie van C2C-producten geen probleem is, is onjuist. Sommige materialen mogen dan biologisch afbreekbaar zijn, maar het maakt wel degelijk uit hoeveel, wanneer en waar deze materialen aan de natuur worden teruggegeven. Teveel koeienmest in het weiland vergiftigt de bodem en het drinkwater. Volume en concentratie blijven belangrijke aspecten en dus zijn er wel degelijk grenzen. De idee dat duurzame ontwikkeling kan worden bereikt zonder een verandering van levensstijl hangt samen met het (ongeoorloofde) geloof in een ‘technological fix’. De C2C-visie heeft daarnaast te weinig oog voor andere problemen als het armoedevraagstuk en een eerlijke verdeling van welvaart.

3. Het energievraagstuk blijft daarnaast onderbelicht. Het massaal hergebruiken van materialen uit de technosfeer brengt een grote toename van logistiek, energiegebruik en ruimtegebruik teweeg.

4. ‘Upcyclen’ wekt de suggestie van een toename in waarde van het materiaal. Het is sterk de vraag of dit mogelijk is voor meer dan één generatie. Het maximaal haalbare is het volledig scheiden en terugwinnen van de technische en biologische grondstoffen, die dan opnieuw, zonder kwaliteitsverlies, bij het productieproces kunnen worden ingezet. Upcyclen is dus eigenlijk volledig recyclen zonder waardeverlies.

5. C2C beperkt zich voornamelijk tot productinnovatie. Het biedt bijvoorbeeld weinig nieuws op het gebied van gebiedsonwtikkeling. De succesvolle voorbeelden die genoemd worden, zijn alle eenvoudige producten. Maar hoe kunnen elektronische apparaten cradle to cradle worden zonder fors duurder te worden? De producten mogen dan wel C2C zijn, maar dat betekent niet dat de productie dat ook is.

6. De technosfeer kan per definitie niet krimpen en zal dus groeien, zeker als de consumptie blijft toenemen. Materialen uit de technosfeer kunnen niet terug worden gegeven aan de biosfeer. Ongebruikte materialen zullen derhalve voor onbepaalde tijd opgeslagen moeten worden.

7. C2C ontkent de ‘tucht van de markt’ en legt de verantwoordelijkheid bij de producent. Maar als de consument niet wil, gebeurt er niets.

Positief

Deze belangrijke kritiekpunten mogen de positieve kant van C2C niet laten ondersneeuwen:

1. C2C weet ondernemers, overheden en burgers te enthousiasmeren. De voorbeelden zijn aansprekend en worden sterk gecommuniceerd (in beeld en tekst). C2C geeft een positief signaal: duurzaamheid kan ook leuk en aansprekend zijn.

2. Reeds bij het ontwerp van producten moet rekening worden gehouden met recycling. Op die manier kunnen verschillende materialen eenvoudig van elkaar worden gescheiden, waardoor volledige recycling mogelijk kan worden. Sommige producten kunnen met materialen uit de biosfeer worden gemaakt, waarna deze materialen aan de biosfeer kunnen worden teruggegeven.

3. Het idee van een ‘dienstproduct’ is aansprekend. Voor elektronica of meubilair zou dit eenvoudig kunnen worden toegepast.

4. Vermijdt een eenzijdige kijk op winst. Toename van menselijk welbevinden is ook winst. C2C sluit aan bij de Triple P benadering: people, planet, profit.

5. Sommige schadelijke materialen horen op de zwarte lijst. Bij ontwerp kan zo’n lijst het uitgangspunt zijn.

Reageren kan op deze pagina of op www.twitter.com/HenriBontenbal

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: