SDE 2.0

Onlangs presenteerde minister Maxime Verhagen de eerste contouren van de vernieuwde Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie. De naam SDE+ suggereert dat dit kabinet er een tandje bijzet, maar dat is niet direct het geval. ‘SDE 2.0’ zou een betere naam geweest zijn.

Hoe ziet de SDE+ eruit? Verhagen kiest ervoor zo kostenefficiënt mogelijk de Europese doelstellingen te halen en kiest dan ook voor de meest kostenefficiënte energietechnieken. Daarbij kiest hij voor een tendersysteem waarin in vier fases het basisbedrag steeds iets hoger wordt (9, 11, 13 en 15 cent/kWh). De bedoeling daarvan is dat de meest kostenefficiënte technieken zoals slibvergisting en waterkracht het eerst in aanmerking komen voor subsidie. Pas later, als er budget over is, komen minder kostenefficiënte technieken zoals wind op zee en zonne-energie (photovoltaisch) aan bod. In elke fase is ook een ‘vrije categorie’ aanwezig. Innovatieve ondernemers die bepaalde technieken goedkoper kunnen realiseren, kunnen van deze categorie gebruikmaken.

De SDE+ is elders voldoende toegelicht (zie verwijzingen onderaan dit artikel). Wat zijn de sterke en zwakke kanten van de SDE+?

Sterke punten

Het eerste sterke punt van deze regeling is de focus op ‘meters maken’. In zijn kamerbrief schrijft Verhagen: “Ik richt de SDE+ op één helder doel. Waar de SDE zich in het verleden op twee doelen richtte: uitrol en innovatie, wil ik de SDE+ focussen op een efficiënte manier van uitrol om stappen te zetten richting de Europese doelstelling van 14% duurzame energie in 2020. […] Voor innovatie zal ik via andere instrumenten gericht beleid voeren.”

Het tweede sterke punt is daarmee verbonden. Verhagen kiest ervoor de markt meer haar werk te laten doen. Dit ligt in lijn met de politieke kleur van het kabinet. In de ‘vrije categorie’ krijgen innovatieve ondernemers bijvoorbeeld de ruimte subsidie aan te vragen voor energietechnieken die gemiddeld duurder zijn, maar waar de ondernemer genoegen neemt met een lager subsidiebedrag.

Het derde punt betreft de differentiatie van windenergie op land. Naar Duits voorbeeld wordt een onderscheid gemaakt naar windrijke en windarme gebieden.

Tot slot schrijft Verhagen dat hij op Europees niveau gaat pleiten voor een kolen- en gasbelasting.

Vraagtekens

Het belangrijkste nadeel van de nieuwe SDE+ is dat per fase de aanvragen beoordeeld worden op volgorde van binnenkomst en niet op kosteneffectiviteit. In deze regeling wordt toch weer met vaste basisbedragen gewerkt (op de vrije categorie na). Een onafhankelijk adviesbureau of onderzoeksinstituut (lees: ECN/KEMA) berekent wat energietechnieken gemiddeld kosten en daaruit rolt een basisbedrag. Verhagen schrijft: “Binnen één fase geldt voor iedere technologische optie een eigen basisbedrag. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat een optie wordt overgesubsidieerd.” Per technologische optie kan dus subsidie worden aangevraagd voor een vast basisbedrag.

Om dit punt helder te krijgen, is het goed om te beschrijven hoe SDE+ in de praktijk werkt (mijn interpretatie op basis van de kamerbrief). Stelt u zich voor: in juli 2011 gaat de eerste fase met een maximum basisbedrag van 9 cent/kWh open. De volgende opties kunnen indienen:

– RWZI/AWZI voor 6,0 cent/kWh
– AVI’s voor 6,2 cent/kWh
– Waterkracht voor 7,2 cent/kWh
– Vrije categorie: diverse technieken die onder de 9,0 cent/kWh blijven

Al deze opties mogen ingediend worden en worden behandeld op volgorde van binnenkomst totdat het budget op is. Blijft er budget over, dan gaat de volgende fase open.

Maar waarom kiest de minister er niet voor het basisbedrag per energieoptie als maximum te laten gelden en de aanvragen te beoordelen op basis van kosteneffectiviteit (de laagste kosten per kWh)? De subsidievragers met de laagste subsidiebehoefte krijgen subsidie. Dit is het meest kosteneffectieve systeem wat bedacht kan worden. Dit idee heb ik eerder beschreven (http://bit.ly/fnD1GT).

Mijn tweede bezwaar betreft het werken met basisbedragen. Evenals de ‘oude’ SDE werkt de SDE+ met basisbedragen, correctiebedragen en subsidiebedragen. Het voordeel van deze methode is dat bij een stijgende energieprijs het correctiebedrag meestijgt en het subsidiebedrag evenredig daalt. De overheid profiteert dan van de stijgende energieprijs, terwijl de exploitatie voor de subsidieaanvrager niet wijzigt.

Het basisbedrag voor zonnestroominstallaties (zon-pv) kan misschien vaststelbaar zijn (ook dat is met de snel ontwikkelende markt maar de vraag), maar dat betekent niet dat het correctiebedrag dat ook is. In sommige gevallen kan een grote zonnestroominstallatie wel degelijk rendabel zijn met een klein subsidiebedrag, ondanks een wat hoger basisbedrag. De enige mogelijkheid is – gelukkig – het indienen met een lager basisbedrag in een vrije categorie. De conclusie dat pv-installaties in de SDE+ geen kans meer maken, is daarom mijns inziens niet helemaal juist. De vrije categorie biedt hiervoor ruimte.

Voor kleine pv-systemen (< 15 kWp) is het minder gunstig gesteld, simpelweg omdat de minister deze categorie niet heeft opgenomen in de lijst met energieopties. Vermoedelijk omdat de minister denkt dat deze kleine pv-systemen veel subsidie nodig hebben. Ook hier geldt echter dat het rekenen met basisbedragen een vertekend beeld geeft.

Daarom het volgende sommetje. Het correctiebedrag voor 2010 ligt voor grootverbruikers rond de 5 cent/kWh. Uigaande van dit correctiebedrag worden de subsidiebedragen in de vier fases 4, 6, 8 respectievelijk 10 cent/kWh (subsidiebedrag = basisbedrag – correctiebedrag). Voor een subsidiebedrag van 10 cent/kWh is het inmiddels mogelijk een kleine zonnestroominstallatie rendabel te exploiteren. De SDE+ zou dus niet met basisbedragen moeten werken maar met subsidiebedragen. Dan kan de categorie ‘klein zon-pv’ ook gewoon meedoen.

Reactie Planbureau voor de Leefomgeving

Rond de publicatie van de kamerbrief reageerde het PBL met de opmerking dat deze nieuwe regeling de doelstellingen niet gehaald zouden worden. Terecht stelde minister Verhagen dat het PBL niet kon weten wat de effecten waren van de SDE+ omdat simpelweg de inhoud van de regeling nog niet voldoende bekend en doorgerekend was.

Een doorrekening van de SDE+ is noodzakelijk, maar zal complex zijn. In de doorrekening zullen allerlei aannames moeten worden gedaan over de populariteit van de regeling in de diverse fases. In het meest gunstigste (dus onrealistische) geval zal alle subsidie gaan naar de goedkoopste optie (RWZI/AWZI: 6 cent/kWh) gaan. In het meest ongunstigste (eveneens onrealistische) geval zal alle subsidie gaan naar de duurste optie (15 cent/kWh). Het verschil is een factor 2,5! De waarheid zal ergens in het midden liggen, maar waar precies is onduidelijk. Het kabinet blijft dus in het onzekere over hoeveel duurzame energie kan worden opgewekt met het beschikbare budget.

VVD: “kies voor verplicht aandeel duurzame energie”

Binnen de coalitie is niet onverdeeld enthousiast gereageerd op het voorstel van de minister. De VVD pleitte voor het afschaffen van de subsidieregeling en het verplicht stellen van een aandeel duurzame energie in de energiemix van de energiebedrijven. Verhagen gaat met de energiebedrijven om de tafel om deze optie te bespreken. Ook aan deze optie kleven echter bezwaren, maar dat is iets voor een andere keer…

Reageren kan op deze pagina of op www.twitter.com/HenriBontenbal

Meer over de SDE+ is te vinden op de website van Energiegids.nl:

http://www.energiegids.nl/details.tiles?doc=/content/energie/nieuws/2010/12/01/DE-SDE-.xml

De kamerbrief van minister Verhagen is te lezen op:

http://www.energiegids.nl/energiegids/live/binaries/energie/foto/kamerbrief-stimulering-duurzame-energie-1-.pdf

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: