Is de SDE+ 2011 een succes? (deel 1)

Op 1 juli werd de stimuleringsregeling SDE+ opengesteld. Op dezelfde dag werd het budget overtekend. Minister Verhagen noemt deze belangstelling ‘overweldigend’ en is ‘buitengewoon plezierig verrast’. Diederik Samsom noemt de overtekening op de eerste dag van de openstelling ‘dodelijk voor investeringszekerheid’ en noemt de reactie van het CDA een ‘tikje pathetisch’. Of de SDE+ een succes is, hangt dus sterk af van het perspectief.

In fase I van de openstelling van de SDE+ was ruimte voor 750 miljoen euro aan beschikkingen voor groen gas en hetzelfde budget voor hernieuwbare elektriciteit. Voor hernieuwbare elektriciteit was een basisbedrag van 9 cent per kWh beschikbaar. Het subsidiebedrag komt daarmee uit op ongeveer 4 cent per kWh. In de volgende fases zou dit basisbedrag in stappen omhoog gaan, waardoor de meest kostenefficiënte technieken het eerst in aanmerking komen voor subsidie. Met de overtekening van het budget blijft er geen budget meer over voor de volgende fases.

De minister heeft bereikt waarnaar hij streefde: een kostenefficiënte inzet van subsidies. In zijn artikel in het FD verwijst de minister naar de inrichting van de stimuleringsregeling SDE en schrijft: “Zo is er voor zonnepanelen vorig jaar 92 miljoen euro subsidie toegekend. Windmolens op land kunnen met dezelfde subsidie echter zes keer zoveel duurzame energie produceren. (…) Anders gezegd: met deze aanpak wekken we per euro belastinggeld veel meer groene energie op. (…) Dat is goed nieuws, zeker als je bedenkt dat we onder de oude stimuleringsregeling ruim twee keer zo veel subsidie hadden moeten uitgeven voor dezelfde projecten.”

Verhagen heeft gelijk als hij stelt dat in de SDE+ met minder geld vanuit de overheid meer groene energie wordt opgewekt. Daarmee velt hij echter een belangrijk oordeel over de oude SDE en werpt direct de vraag op of de SDE+ niet ook slimmer kon worden ingericht. Interessant is de vraag of de overtekening van het budget in één dag niet impliceert dat het budget nóg efficiënter had kunnen worden aangewend (door nog minder subsidie) en of de overheid wel voldoende op de hoogte is van marktontwikkelingen.

De minister schrijft: “Ook op een ander punt was ik buitengewoon plezierig verrast. Bij de introductie van de nieuwe stimuleringsregeling was er kritiek dat relatief dure technologieën, zoals zonne-energie, door het lage startbedrag van de subsidie buiten de boot zouden vallen. Alleen technologieën met een lagere kostprijs, zoals het stoken van biomassa of windmolens op land, zouden profiteren. Die vrees is niet uitgekomen. Er zijn veel projecten voor zonne-installaties ingediend voor een kostprijs van 9 cent per kilowattuur (wat bij de elektriciteitsprijs van nu een subsidie van een kleine 4 cent betekent). De grotere concurrentie voor subsidies heeft er blijkbaar toe bijgedragen dat er meer investeringen worden gedaan door bedrijven of hernieuwbare energie efficiënter kan worden opgewekt dan voorheen. Dat is een opsteker voor de ontwikkeling van zonne-energie en voor de belastingbetaler.”

De conclusie die de minister trekt, lijkt me voorbarig. In de SDE subsidieronde in 2010 zijn in de categorie zon-PV > 15 kWp circa 35.000 subsidieaanvragen ingediend, waarvan er uiteindelijk 131 werden gehonoreerd. Dat betekent dat er vorig jaar meer dan 200 maal meer is aangevraagd in deze categorie dan er aan budget beschikbaar was. De systematiek van basisbedragen in de SDE+ is niet geschikt voor middelgrote zonne-energieprojecten, heb ik in een eerdere blog betoogd. Ik schreef toen: “Het basisbedrag voor zonnestroominstallaties (zon-pv) kan misschien vaststelbaar zijn (ook dat is met de snel ontwikkelende markt maar de vraag), maar dat betekent niet dat het correctiebedrag dat ook is. In sommige gevallen kan een grote zonnestroominstallatie wel degelijk rendabel zijn met een klein subsidiebedrag, ondanks een wat hoger basisbedrag. De enige mogelijkheid is – gelukkig – het indienen met een lager basisbedrag in een vrije categorie. De conclusie dat pv-installaties in de SDE+ geen kans meer maken, is daarom mijns inziens niet helemaal juist. De vrije categorie biedt hiervoor ruimte.”

De rentabiliteit van middelgrote zonnestroominstallaties hangt sterk af van de mogelijkheid van salderen, de hoogte van de energiebelasting en fiscale voordelen. Dat maakt dat de SDE+-systematiek niet erg geschikt is voor de subsidiering van deze technologie. Als in 2010 grofweg voor 1.300 MW aan zonnestroominstallaties is aangevraagd en daarvan 10% opnieuw heeft ingediend, dan lijkt het mij niet onredelijk dat er voor 50 miljoen euro aan zon-PV is aangevraagd. Daarnaast lijkt mij nog een ander verschijnsel meegespeeld te hebben: projecten die al op stapel stonden, hebben de SDE+ nog ‘meegepakt’. De kans is groot dat een deel van de ingediende projecten ook zonder subsidie waren gerealiseerd.

De SDE+ is een succes als je het vergelijkt met de SDE vanuit het oogpunt van kosteneffectiviteit. Het investeringsklimaat in Nederland voor duurzame energie wordt echter niet veel beter van het ‘succes’ van de SDE+. Een groot deel van de plannen kan weer de ijskast in en moet wachten op de nieuwe ronde in januari 2012. Toch geeft het succes van de SDE+ ook hoop. Het grote enthousiasme voor investeringen in duurzame energie laat zien dat ondernemers klaar zijn voor de duurzame energietransitie.


Bronnen:

‘Nieuwe stimuleringsregeling leidt tot groei duurzame energie’, Rijksoverheid: http://bit.ly/nsBQ5A

Opinie-artikel SDE+, minister Verhagen in Het Financieele Dagblad: http://bit.ly/nNXota

‘Subsidiepot in één keer leeg’, Het Financieele Dagblad, http://bit.ly/nZRAr6

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: