Waarom betalen we energiebelasting?

Waarom betalen we energiebelasting?

Waarom betalen we energiebelasting over duurzame energie?

Waarom betalen we energiebelasting over in eigen beheer geproduceerde duurzame energie?

In de discussie over nut en noodzaak van het verruimen van de mogelijkheden voor het salderen van vóór de meter geproduceerde elektriciteit, is het antwoord op deze vragen van groot belang. Daarom geef ik een beknopt overzicht van de geschiedenis van de energiebelasting en de heffingskorting. De afspraak in het regeerakkoord over het invoeren van een verlaagd tarief op de energiebelasting voor in eigen beheer en in nabijheid geproduceerde elektriciteit (‘zelflevering’), kan dan ook beter op waarde worden geschat.

Geschiedenis van de energiebelasting

De regulerende energiebelasting (REB) wordt in 1996 ingevoerd als heffing op het gebruik van elektriciteit en aardgas, en wordt opgenomen in de Wet Belastingen op Milieugrondslag (WBM). De REB dient twee doelen (haar ‘rechtsgrond’). In de eerste plaats is de REB een financiële aansporing tot energiebesparing en in de tweede plaats een middel om een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op milieuvervuiling te bekostigen.

De REB-tarieven worden in de periode van 1996 tot 2004 elk jaar verhoogd en de belasting op arbeid en ondernemen wordt verlaagd. De opbrengst van de energiebelasting voor grootverbruikers wordt gebruikt voor de financiering van de energie-investeringsaftrek (EIA).

De REB heeft tot doel het ‘vermijdbare energieverbruik’ te belasten. Daarom is er vanaf de introductie van de REB sprake van ‘belastingvrije voeten’ voor aardgas en elektriciteit. Als onbelaste ‘basisenergiebehoefte’ wordt gekozen voor een vrije voet van 800 kWh elektriciteit en 800 m3 aardgas. Wie onder deze grenzen blijft, betaalt geen belasting.

Op 1 januari 2001 worden deze belastingvrije voeten omgezet in een vast bedrag per aansluiting, de zogeheten heffingskorting (Tariefwet 2001). Omdat deze heffingskorting uit een vast bedrag per aansluiting bestaat, is het mogelijk bij een laag energieverbruik per jaar een negatieve heffing te ontvangen. Bij de heffingskorting wordt een onderscheid gehanteerd tussen een pand met en zonder verblijfsfunctie.

In 2003 wordt de Richtlijn Energiebelasting van de Europese Commissie aangenomen en deze wordt op 1 januari 2004 geïmplementeerd door de lidstaten. De REB verliest daarbij het predicaat ‘regulerende’ en wordt kortweg aangeduid als Energiebelasting (EB).

De tariefontwikkeling door de jaren heen is te vinden op de website Statline van het CBS. Bij het bekijken van deze tarieven moet niet vergeten worden dat de heffingskorting in 2001 is ingevoerd en de belastingvrije voeten heeft vervangen.

Het gebeurt vaak dat de heffingskorting onvermeld blijft bij discussies over de hoogte van de energiebelasting. Het bovenstaande laat zien dat dit onjuist is. Per eenheid energie is het belastingstarief relatief hoog, maar dat wordt voor een fors deel gecompenseerd door de heffingskorting. De consequentie van deze constructie voor huishoudens met een laag energieverbruik is dat zij netto geen energiebelasting betalen. (Als huishouden betaal ik bijvoorbeeld netto geen energiebelasting maar ontvang netto 60 euro per jaar van de Belastingdienst.) Een andere consequentie is dat energiebesparende maatregelen zich snel terugverdienen.

Nihiltarief voor hernieuwbare energie

In de periode van 1999 tot 2002 is er sprake van een nihiltarief voor gebruikers van duurzame elektriciteit. Het tarief voor elektriciteit is nihil wanneer deze is “opgewekt door middel van windenergie, zonne-energie, kleinschalige waterkracht of installaties waarin biomassa zonder bijstook of bijmenging van kunststoffen thermisch wordt verwerkt onder omzetting in elektriciteit”. Vanaf medio 2001 moet de energieleverancier die geen energiebelasting in rekening brengt, beschikken over een overeenkomende hoeveelheid groencertificaten.

In 2002 wordt het nihiltarief voor waterkracht afgeschaft. Vanaf 1 januari 2003 wordt het nihiltarief veranderd in een verlaagd tarief en per 1 juli geheel afgeschaft. Op dat moment gaat de MEP-subsidieregeling van start. De reden van de afschaffing van het nihiltarief is het zogenoemde ‘buitenlandlek’, waardoor goedkope duurzame elektriciteit (waterkracht, biomassa, etc.) uit het buitenland profiteert van het nihiltarief en buitenlandse producenten van duurzame elektriciteit graag energie leveren in Nederland. Vaak werd deze duurzame elektriciteit in het land van herkomst ook nog gesubsidieerd. De inkomstenderving liep op tot 700 miljoen euro in 2002.

Waarom betalen we energiebelasting?

Op basis van het bovenstaande, kunnen we de vragen aan het begin van deze blog beantwoorden.

Waarom betalen we energiebelasting?

Om te stimuleren dat met name huishoudens het energieverbruik verminderen en om een lagere belasting op arbeid te kunnen bekostigen.

Waarom betalen we energiebelasting over duurzame energie?

De energiebelasting maakt geen onderscheid tussen duurzame en grijze energie. Het doel van deze belasting is immers niet om het gebruik van duurzame energie te stimuleren, maar om energiebesparing te stimuleren. Dit komt overeen met de eerste stap van de Trias Energetica: 1) beperk het energieverbruik, 2) maak maximaal gebruik van duurzame energie, en 3) maak, zo nodig, zo efficiënt mogelijk gebruik van fossiele energie. Het nihiltarief voor duurzame energie strookte daarom ook niet helemaal met het doel van de energiebelasting.

Met de komst van duurzame energie-installaties in of op de woning (bv. zonnepanelen) wordt de kwestie nog ingewikkelder. Door de huidige salderingssystematiek wordt immers niet het totale energieverbruik belast, maar het netto energieverbruik (verbruikte minus geproduceerde energie). Zo beschouwd is de salderingsregeling dus een vorm van subsidie. (De salderingsregeling is daarnaast nog om een andere reden een vorm van subsidie, of een ‘overheidsingreep in de energiemarkt’: energieleveranciers worden verplicht de teruggeleverde elektriciteit tegen hetzelfde tarief te vergoeden als de geleverde elektriciteit. Zonder deze regeling zouden energieleveranciers een lagere vergoeding betalen. Het verschil wordt door alle verbruikers betaald.) We betalen dus energiebelasting over het energieverbruik, maar er is een uitzondering gemaakt voor achter de meter geproduceerde elektriciteit.

Grootschalige duurzame energieproductie wordt niet via de energiebelasting gestimuleerd, maar via productiesubsidies, zoals de SDE+. In lijn daarmee was het logischer geweest als duurzame energieproductie bij huishoudens ook via een productiesubsidie over aan het elektriciteitsnet teruggeleverde energie werd gestimuleerd zonder de huidige salderingsregeling. (Het is veelzeggend dat grootverbruikers geen energiebelasting mogen salderen.) Ook kan gedacht worden aan een koppeling tussen de salderingsruimte en de hierboven genoemde ‘energiebasisbehoefte’.

Waarom betalen we energiebelasting over in eigen beheer geproduceerde duurzame energie?

Het antwoord op deze vraag sluit aan bij het vorige antwoord: de energiebelasting maakt geen onderscheid tussen duurzame en fossiele energie. Maar hierboven schreef ik ook dat er in het geval van duurzame energieproductie in of op de woning een uitzondering wordt gemaakt. De vraag is dan of deze uitzondering ook voor in eigen beheer geproduceerde energie (bijv. door een energiecoöperatie) moet worden gemaakt. Het antwoord op deze vraag hangt weer samen met een andere vraag, namelijk of het doel van de energiebelasting niet moet worden aangepast, nu steeds meer huishoudens zelf energie gaan opwekken. Of moeten we juist weer terug naar het oorspronkelijke doel van de energiebelasting en de salderingsregeling schrappen of aanpassen? Of moeten we ook in deze situatie de salderingsruimte koppelen aan de ‘energiebasisbehoefte’? Het antwoord op deze vragen bewaar ik voor een andere keer (= cliffhanger) en zal een blog van minstens deze lengte vereisen.

Advertisements

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: