Lagere energiebelasting op duurzame energie

In het regeerakkoord van de VVD en de PvdA staat de volgende maatregel:

“Het kleinschalig, duurzaam opwekken van (zonne-)energie waarvoor geen rijkssubsidie wordt ontvangen, wordt fiscaal gestimuleerd door invoering van een verlaagd tarief in de eerste schijf van de energiebelasting op elektriciteit die afkomstig is van coöperaties van particuliere kleinverbruikers, aan deze verbruikers geleverd wordt en in hun nabijheid is opgewekt. Deze wordt lastenneutraal gefinancierd door een generieke verhoging van het reguliere tarief in de eerste schijf van de energiebelasting.”

Waarom is deze maatregel, op deze wijze geformuleerd, lastig uitvoerbaar?

1) ‘lastenneutraal gefinancierd’

Wat zijn de financiële consequenties van deze maatregel voor huishoudens die er geen gebruik van maken? Deze huishoudens hebben misschien niet de middelen om te investeren in een aandeel in een energiecoöperatie. De huishoudens die geen lid zijn van een duurzame energiecoöperatie moeten opdraaien voor de belastingderving als gevolg van de lagere energiebelasting voor andere huishoudens. Hoe meer huishoudens gebruik maken van deze lagere energiebelasting, hoe kleiner het aantal huishoudens dat de kosten daarvan moet dragen. Voor hen stijgt de energiebelasting exponentieel. Bedrijven blijven grotendeels buiten schot.

Met welke extra kosten een gemiddeld huishouden te maken krijgt, hangt af van de hoogte van het verlaagde tarief en het percentage van het elektriciteitsverbruik dat tegen dit verlaagde tarief belast wordt. Het gaat dan om het totale elektriciteitsverbruik dat belast wordt in de eerste schijf van de energiebelasting. Als we uitgaan van een verlaagd tarief van 50% van het huidige tarief (11,4 cent per kWh), dan betekent dit het volgende: wanneer 10% van het elektriciteitsverbruik in de eerste schijf tegen een verlaagd tarief wordt afgerekend, betaalt een gemiddeld huishouden dat niet van deze maatregel gebruik maakt, circa 25 euro (incl. BTW) extra; bij 20% is dit circa 57 euro, bij 30% 98 euro en bij 40% al 152 euro per jaar.

Op het eerste gezicht lijkt dit niet veel geld. Het gaat echter om een fors bedrag, aangezien de bedragen als snel boven het bedrag liggen dat een gemiddeld huishouden de komende jaren aan de SDE-opslag betaalt. De oorzaak daarvan is het feit dat relatief dure energietechnieken door het verlaagde tarief gestimuleerd worden en de kosten daarvan niet over huishoudens én bedrijven verdeeld worden (zoals bij de SDE-opslag wel gebeurt).

Uit bovenstaande berekening blijkt, dat wanneer deze maatregel een succes wordt, deze onbetaalbaar wordt voor de andere huishoudens. Het is niet goed mogelijk een inschatting te maken van het aantal huishoudens dat lid gaat worden van een energiecoöperatie. Wanneer het voordeel maar groot genoeg en het gemak om lid te worden maar klein genoeg is, zouden veel huishoudens zich kunnen aansluiten bij een energiecoöperatie. Deze maatregel is daarom bij succes onhoudbaar.

2) ‘kleinschalig’

Wat is ‘kleinschalig’ en waarom is ‘kleinschaligheid’ een criterium? Is een windturbine van 2,5 MW kleinschalig? Of een zonnestroominstallatie van 20 kWp? Waar ligt de grens? Het is niet duidelijk waarom dit criterium in deze maatregel is opgenomen. Het zou ertoe kunnen leiden dat duurzame energie-installaties onnodig opgeknipt gaan worden in deelsystemen.

3) ‘geen rijkssubsidie’

Overstimulering moet worden voorkomen door het uitsluiten van projecten die rijkssubsidie ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van SDE+. Maar er zijn ook andere vormen van stimulering, bijvoorbeeld de EIA, MIA en de VAMIL. Of provinciale en gemeentelijke subsidies. Worden die ook uitgesloten?

Fundamenteler is echter dat hier gekozen wordt voor een stimulering van duurzame energie buiten de SDE+ om. Ook lokale energieprojecten van energiecoöperaties komen in aanmerking voor de SDE+, bijvoorbeeld een zonnestroominstallatie van 15 kWp of groter. Omdat de SDE+ selecteert op kosteneffectiviteit, is er tot op heden geen budget beschikbaar geweest voor zonnestroominstallaties, tenzij in de vrije categorie.

4) ‘afkomstig van coöperaties van particuliere kleinverbruikers’

Mag de overheid in haar belastingen een verschil maken op basis van de juridische entiteit van de producent van de energie? De energiebelasting wordt geheven bij de verbruiker, ongeacht de leverancier van de elektriciteit. Niet alleen wordt nu (weer)  een extra criterium (duurzaamheid) in een verlaagd tarief van de energiebelasting opgenomen, ook wordt een onderscheid gemaakt in juridische entiteit, de coöperatie. De vraag is of dat mogelijk is.

In welke mate moet de coöperatie en haar installaties eigendom zijn van de leden? Wordt er een verband gelegd tussen de mate van participatie en het volume aan elektriciteit dat tegen verlaagd tarief geleverd mag worden aan een specifieke aansluiting?

De kans is groot dat energieleveranciers en andere bedrijven de coöperatie omarmen als manier om eigen projecten op die manier rendabel in de markt te zetten. Het is niet moeilijk een coöperatie in het leven te roepen, waarvan het dagelijks bestuur wordt uitbesteed. Energieleveranciers zullen een grote rol gaan spelen in het opzetten van dergelijke energiecoöperaties, maar de participatie van burgers zal minimaal zijn.

5) ‘in hun nabijheid is opgewekt’

Ook dit criterium is moeilijk te implementeren. Wat is ‘in hun nabijheid’ en op basis waarvan wordt dit criterium bepaald? Is het nabijheidscriterium voor de energiebelasting juridisch houdbaar? Waar wordt de grens gelegd? Drie kilometer? Tien kilometer?

6) jaarlijkse tariefbepaling energiebelasting?

Elk jaar worden de tarieven van de energiebelasting opnieuw aangepast. Dat maakt het opstellen van een businesscase over 25 jaar lastig. Teveel belangstelling voor het verlaagde tarief zou ertoe kunnen leiden dat deze opgehoogd wordt. Ook de prijsontwikkeling van duurzame energietechnologie kan leiden tot een ander tarief. De SDE+ zorgt voor een stabiele prijs voor duurzame energie over de looptijd van het project. Een verlaagde energiebelasting die per jaar kan worden aangepast, kan echter deze stabiele inkomsten niet garanderen.

7) nieuwe installaties?

In de maatregel is niet benoemd dat het om nieuwe installaties moet gaan, hoewel dat voor de hand ligt. Het is goed denkbaar dat een energiecoöperatie een bestaande installatie overkoopt van een andere partij, bijvoorbeeld een windturbine. Als deze maatregel alleen geldt voor nieuwe installaties, moet dit nauwkeurig worden bijgehouden. Deze en alle bovengenoemde overwegingen betekenen forse administratieve uitvoeringslasten, die bij de overheid en de energieleveranciers en/of netbeheerders terechtkomen.

8) looptijd?

In de maatregel wordt niet gesproken over een looptijd. In de SDE+ is de looptijd meestal 15 jaar. Maar hoe lang wordt deze maatregel in stand gehouden? Hoe lang worden (nieuwe) projecten met deze maatregel ‘gesubsidieerd’?

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: