Vrijstelling energiebelasting of invoedingstarief?

Al een aantal jaar wordt gediscussieerd over de vraag of zelfopgewekte groene stroom vóór de elektriciteitsmeter niet onbelast moet kunnen worden verbruikt. Waarom mogen burgers die investeren in zonnepanelen op het dak van een naburige school deze stroom niet onbelast gebruiken? Deze discussie lijkt nu in een nieuwe fase te zijn beland door het energieakkoord, waarin een verlaagde energiebelasting voor deze vorm van zelflevering is opgenomen. Maar daarmee is de belangrijkste vraag niet beantwoord. Waarom betalen we eigenlijk energiebelasting en hoe kunnen we deze zo inrichten dat energiebesparing en duurzame energie op een goede manier worden gestimuleerd?

Wie zijn energierekening bestudeert, zal zien dat het grootste deel daarvan niet naar de energieleverancier gaat, maar naar de schatkist in de vorm van energiebelasting en btw. De prijs voor de levering van elektriciteit per kilowattuur (kWh) bestaat voor ongeveer 7 cent uit het leveringstarief van de energieleverancier, 12 cent energiebelasting en daar bovenop nog eens 4 cent btw. Als zo’n flink deel van de energierekening bestaat uit energiebelasting, dan moet daar een goede reden voor zijn, zou je denken. Bij de introductie van de energiebelasting op elektriciteit en gas is door de Rijksoverheid in 1995 een aantal overwegingen en kaders geformuleerd:

  • De primaire doelstelling van de energiebelasting is het terugdringen van het energieverbruik en daarmee de uitstoot van CO2. Het doel is echter vanaf het begin dubbelzinnig geformuleerd, want de stimulering van duurzame energiebronnen wordt ook als subdoel benoemd.
  • De energiebelasting is alleen bedoeld voor kleinverbruikers. Voor grootverbruikers zijn er andere regelingen om energiebesparing te stimuleren, zoals de meerjarenafspraken (MJA). De concurrentiepositie van bedrijven mag er immers niet door verslechteren.
  • De energiebelasting moet aansluiten bij een voorstel van de Europese Commissie (EC) uit 1992 waarin de contouren worden geschetst voor een energiebelasting die voor 50 procent afhankelijk is van de energie-inhoud en voor 50 procent van de CO2-intensiteit van de energiedragers.
  • Bij de regulerende energiebelasting gaat het specifiek om de reguleringsfunctie, niet om de opbrengstfunctie. De opbrengsten worden teruggesluisd via een verlaging van belastingen op arbeid. De invoering van de regulerende energiebelasting is nadrukkelijk budgetneutraal.
  • Tegelijkertijd werden heffingsvrije voeten op gas en elektriciteit (800 kWh en 800 m3, later omgezet in de heffingskorting) geïntroduceerd. Het is immers niet mogelijk het verbruik tot nul te reduceren en er blijft dus een bepaalde hoeveelheid onvermijdbaar verbruik over, waarover een regulerende belasting geen zin heeft. De belastingvrije voeten werden zo gekozen, dat de 6 procent van de zuinigste huishoudens netto geen energiebelasting betalen. Voor het overgrote deel van de huishoudens ontstaat daardoor een prikkel tot energiebesparing.

In de loop van de tijd is het karakter van de energiebelasting veranderd. De tarieven zijn opgehoogd en de grondslag is verbreed. De heffingskorting is tussentijds opgehoogd als compensatie voor de introductie van het capaciteitstarief. Inmiddels wordt ongeveer de helft van de energiebelasting opgebracht door bedrijven en de andere helft door huishoudens. Daarnaast is het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) geïntroduceerd, waardoor er reeds een vorm van CO2-beprijzing in de prijs van elektriciteit verwerkt is. Recent is daar de opslag voor duurzame energie bijgekomen.

Melkkoe

Het verwijt dat de energiebelasting een melkkoe is geworden van de overheid is niet geheel onterecht. Het regulerende en budgetneutrale karakter is immers naar de achtergrond verschoven. Op dit moment staat de opbrengstfunctie voorop en dat betekent dat de schatkist elk jaar zo’n 4 miljard euro uit de energiebelasting moet binnenkrijgen. De energiebelasting zou in het ideale geval de energietransitie moeten begeleiden en stimuleren, maar op dit moment lijkt die de energietransitie vooral tegen te werken. Wanneer Nederlanders massaal hun woning isoleren en zonnepanelen installeren, lopen de inkomsten uit de energiebelasting flink terug. De kans is dan groot dat de Rijksoverheid de tarieven verhoogt, maar dat betekent dat de lasten steeds oneerlijker worden verdeeld en investeringen in besparingen niet echt lonen. De Rijksoverheid kan niet tegelijkertijd de energiebelastinginkomsten gelijk willen houden en huishoudens stimuleren energie te besparen.

De volgende rekensom kan dit punt verhelderen. In 2011 was het gemiddelde elektriciteitsverbruik per huishouden 3312 kWh en het gemiddelde gasverbruik 1484 m3. Stel nu eens dat dit gemiddelde verbruik in de komende tien jaar met 30 procent omlaag gaat door een goede isolatie, energiezuinige apparaten, zonnepanelen en energiezuinig gedrag. Op basis van de huidige tarieven zou dit een derving van totaal zo’n 1,5 miljard euro aan belastinginkomsten betekenen.

De Rijksoverheid heeft geen langetermijnvisie op de energiebelasting. Hoe ontwikkelen de inkomsten zich de komende tien jaar? En belangrijker: hoe kan de energiebelasting worden ingezet om de energietransitie te versnellen? De salderingsregeling voor zonnestroom is daarvan een goed voorbeeld. Deze heeft immers geleid tot een flinke groei van het aantal zonnepanelen op de daken van Nederlandse huishoudens, maar van een doordachte visie van de Rijksoverheid is nog geen sprake.

Langetermijnvisie

In een langetermijnvisie op de energiebelasting moeten tenminste de volgende aspecten een plek krijgen:

  • Elektrificatie van de energievoorziening
    De transitie naar een schone energievoorziening betekent onder meer elektrificatie. De energiebelasting op aardgas is op dit moment relatief lager dan voor elektriciteit. Daardoor is elektriciteit in het nadeel. Huishoudens die bijvoorbeeld overstappen van verwarming op gas naar verwarming op elektriciteit met bijvoorbeeld een warmtepomp lopen hier tegenaan. Dit verschil in belasting zou gelijkgetrokken moeten worden.
  • Verschil tussen besparen en duurzaam opwekken
    Door de huidige salderingsregeling voor de opwekking van duurzame elektriciteit achter de meter wordt een kilowattuur besparen op dezelfde wijze beloond als een kilowattuur duurzaam opwekken. Volgens de Trias Energetica is dit niet wenselijk omdat besparen prioriteit heeft boven duurzaam opwekken, maar dat is vooral een richtingwijzer. Op een bepaald moment zijn de meest rendabele energiebesparingsmaatregelen genomen en is het invullen van de resterende energievraag met duurzame energie rendabeler dan nog verder energie besparen. Het kan helpen de kostenefficiëntie van de verschillende maatregelen in euro’s per vermeden ton CO2 uit te rekenen en op basis daarvan een keuze te maken tussen nog meer energie besparen of investeren in duurzame energieopwekking.
  • Centrale of decentrale energievoorziening
    Met de energiebelasting kun je daar enigszins op sturen. Wil je als overheid vooral balancering van vraag en aanbod van elektriciteit op woningniveau stimuleren, dan moet je de huidige salderingsregeling minder aantrekkelijk maken, zodat energieopslag een aantrekkelijkere optie wordt. Wil je als overheid vooral slimme netten op wijkniveau stimuleren, dan moet je de uitwisseling van duurzame energie op wijkniveau fiscaal gunstig behandelen.
  • Interactie met het ETS
    Hiermee wordt een gelijker speelveld gecreëerd voor grijze en groene stroom. Kolen- en gascentrales moeten emissierechten kopen voor hun CO2-uitstoot en berekenen de kosten daarvan door in de prijs van elektriciteit. Grijze stroom wordt daardoor duurder. Bij een prijs van 50 euro per ton betekent dit voor een kolencentrale zo’n 3 eurocent per kilowattuur extra. Helaas functioneert het ETS op dit moment nog niet goed, maar het systeem zou in staat moeten zijn een eerlijk speelveld te creëren. Het paradoxale van dit systeem is echter dat wanneer huishoudens investeren in zonnepanelen, het aantal emissierechten dat in omloop is, niet afneemt. Dat betekent dat de CO2-reductie gecompenseerd wordt door extra uitstoot elders.

Geen lang leven

Hoe de energiebelasting precies opgezet moet worden, is niet eenvoudig te bedenken. De ideale oplossing bestaat niet. Vooral de vraag hoe lokale duurzame energieopwekking gestimuleerd moet worden, is een lastige. In het energieakkoord is afgesproken dat er een korting komt op de energiebelasting voor energiecoöperaties die zonnestroom aan de eigen leden leveren. Deze regeling gaat echter tot een hoop problemen leiden en is geen lang leven beschoren.

Het doel van de energiebelasting zou eenduidig moeten worden vastgelegd als het stimuleren van energiebesparing. De stimulering van duurzame energie, het creëren van een eerlijk speelveld voor groene en grijze energie door de kosten van vervuiling en emissies in de prijs te verwerken, moet via het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) worden geregeld. De energiemarkt is Europees, dus nationale maatregelen in de sfeer van de energiebelasting hebben meestal weinig zin. De inzet moet zijn om het ETS tot een effectief instrument te maken. Het idee dat een bepaald deel van het energieverbruik onbelast moet zijn, kan blijven bestaan, maar moet wel worden aangepast. De heffingskorting moet weer omgezet worden in heffingsvrije voeten, zodat zeer energiezuinige huishoudens daar niet netto op verdienen. Dat schiet het doel voorbij. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat de 10 procent zuinigste huishoudens netto geen energiebelasting betalen. De rest, het peloton, moet worden gestimuleerd het verbruik terug te brengen. Dit betekent ook dat de heffingsvrije voeten elk jaar iets worden aangescherpt, zodat de lat steeds iets hoger ligt. De hoogte daarvan moet over een lange periode worden vastgelegd, zodat daarmee rekening kan worden gehouden.

Saldering

Hoe moeten er omgegaan worden met het salderen van energiebelasting? Deze regeling is op de lange termijn niet houdbaar. Het ministerie van Economische Zaken denkt daarom na over de manier waarop deze regeling kan worden versoberd. De meest robuuste manier om decentrale duurzame energie te blijven stimuleren, is door de afschaffing van de salderingsregeling en de introductie van een invoedingstarief. Daarbij kan naar het Duitse systeem gekeken worden, maar dat hoeft niet één op  één gekopieerd te worden. Het invoedingstarief betreft zonnestroom die aan het net teruggeleverd wordt en dus niet de direct verbruikte zonnestroom. Dit invoedingstarief moet vijftien jaar vast staan voor installaties die op een bepaald tijdstip in gebruik zijn genomen, maar kan voor nieuwe installaties op basis van de kostprijsontwikkeling worden afgebouwd. De afbouw van het invoedingstarief in de komende jaren is niet alleen het gevolg van een dalende kostprijs, maar ook van een toename van de mogelijkheden om zonnestroom direct in de woning te gebruiken, door betere afstemming van de vraag op het aanbod en door de ontwikkeling van energieopslagtechnieken. Op dit moment is zonnestroom de enige vorm van duurzame energieopwekking die in de praktijk voornamelijk via de salderingsregeling wordt gestimuleerd; andere duurzame energietechnieken worden via de SDE+ gestimuleerd. Door de introductie van een invoedingstarief wordt dit verschil gelijkgetrokken.

Door het verlagen van de heffingskorting en de introductie van een degressief invoedingstarief ontstaat er financiële ruimte voor nieuwe capaciteit aan zonne-energie. Of een overgangsregeling voor oude installaties nodig is of dat twee systemen naast elkaar kunnen blijven bestaan, is een vraag die dan aan de orde is. Daarnaast zal een slimme meter verplicht moeten zijn voor elk huishouden dat stroom teruglevert. Ook is de vraag belangrijk of het invoedingstarief ruimte moet laten voor de variabele tarieven van energieleveranciers of een vast bedrag per kilowattuur is, en bij wie de uitvoering van deze regeling moet komen te liggen (bij netbeheerders, zoals in Duitsland, of bij de Belastingdienst en AgentschapNL). Wellicht dat dit invoedingstarief gekoppeld moet worden aan de energiebelasting die door de eigenaar van de installatie is betaald, zodat er nog iets van het karakter van de salderingsregeling blijft bestaan. De introductie van een invoedingstarief vereist ook het nodige denkwerk, maar biedt wel de mogelijkheid stabiel beleid voor de komende jaren te garanderen. En uiteindelijk was dat toch het doel van het energieakkoord?

Dit artikel is geschreven voor Energie+.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: