De olifant in de kamer

Recent schreef ik een artikel over de toekomst van de energiebelasting, waarin ik opmerkte dat er bij de Rijksoverheid weinig zicht lijkt te zijn op de ontwikkeling van de energiebelasting. De energiebelasting en de energietransitie gaan elkaar bijten. Ik was dan ook benieuwd of in de doorrekening van het energieakkoord door het PBL en ECN daar aandacht aan werd besteed.

Het energieakkoord past binnen de financiële kaders van het regeerakkoord en het kabinetsbeleid, zoals ook uitdrukkelijk de opdracht was. Voorgestelde beleidsmaatregelen worden gefinancierd door ombuigingen of een verhoging van de energiebelasting. Voor de uitvoering en begeleiding van het energieakkoord wordt daarnaast 70 miljoen euro door de Rijksoverheid uitgetrokken.

De ontwikkeling van de energiebelasting het komende decennium is de spreekwoordelijke ‘olifant in de kamer’ waar stelselmatig met een grote boog omheen wordt gelopen. Het PBL en ECN hebben het energieakkoord doorgerekend, maar grijpen ook deze olifant niet bij haar slurf. Het energieakkoord beoogt een energiebesparing te realiseren van 100 PJ (ECN en PBL denken dat het energieakkoord dit bij lange na niet gaat realiseren) en dat betekent onmiskenbaar dat de inkomsten voor de schatkist uit de energiebelasting teruglopen.

In het rapport van ECN/PBL staat, bijna terloops, de veelzeggende zin: “Ook de overheid ondervindt indirecte lasten en baten, bijvoorbeeld derving van energiebelasting bij energiebesparing, en extra Btw-inkomsten bij nieuwe investeringen. Deze zijn hier verder niet gekwantificeerd.” Maar hoe groot is de derving van de energiebelasting eigenlijk?

Het is niet moeilijk om een grove inschatting te maken van deze derving van de energiebelasting. Aan welke orde van grootte moeten we denken? In het energieakkoord staat dat in de bestaande bouw per jaar 300.000 bestaande woningen en andere gebouwen twee labelstappen gaan maken. Stel dat deze twee labelstappen zorgen voor een gemiddelde besparing in het gasverbruik van 600 m3 per woning (ongeveer de stap van energielabel B naar D). Per tranche van 300.000 woningen betekent dit een terugloop in de inkomsten van de energiebelasting op aardgas van 34 miljoen euro per jaar (tarief 2013, eerste schijf EB, elektriciteit buiten beschouwing gelaten). In 2020 is deze jaarlijkse derving opgelopen tot 235 miljoen euro per jaar (tarief 2013). Deze derving wordt niet opgevangen door de voorgestelde verhoging(en) van de energiebelasting.

Dit bedrag betreft slechts de derving in de energiebelasting op aardgas als gevolg van het energiezuinig maken van 300.000 woningen per jaar, maar dit is slechts één van de maatregelen uit het energieakkoord. Een energiebesparing van 100 PJ in 2020 betekent een nog veel hoger bedrag aan derving van energiebelasting (hoewel een groot deel van de energiebesparingen niet in de eerste schijf van de energiebelasting zullen plaatsvinden). Het is onbegrijpelijk dat de Rijksoverheid deze ‘indirecte lasten en baten’ (zoals energiebelasting en btw) niet heeft laten doorrekenen.

De olifant blijft voorlopig nog even in de kamer staan, maar ‘m blijven negeren is onverantwoord.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: