Voor risico en rekening?

Het is wellicht mosterd na de maaltijd, maar in dit artikel wil ik nog wat uitgebreider ingaan op het criterium ‘voor risico en rekening’, dat minister Kamp introduceerde bij de beantwoording van vragen uit de Eerste Kamer over het salderen achter de meter. Vanmiddag stemde de Eerste Kamer in met de motie Vos, waarin de minister gevraagd wordt dit criterium niet te hanteren, omdat het niet eerder gebruikt werd. Hoe zinvol is dit criterium?

De redenatie van Minister Kamp is ongeveer als volgt. 1) Je mag alleen achter de meter opgewekte duurzame elektriciteit salderen met je eigen elektriciteitsverbruik als je deze groene stroom zelf hebt opgewekt. 2) Er is alleen sprake van zelfopwekking als deze voor eigen risico en rekening plaatsvindt. 3) Als een derde partij investeert in de zonnepanelen en de stroom aan jou aflevert op basis van een kWh-tarief is er geen sprake van eigen risico en rekening.

Het gevolg van deze interpretatie is dat er een paar honderd projecten die gebruik maken van een zogenaamde ‘ontzorgconstructie’, waarbij de verbruiker niet zelf hoeft te investeren in zonnepanelen, maar deze door een derde partij laat installeren en afrekent op basis van een kWh-tarief, in de problemen komen. Twee vragen moeten gesteld worden. 1) Is de interpretatie van de wet door minister Kamp correct? 2) Is datgene wat er in de wet staat wenselijk? Beide vragen moeten we goed uit elkaar halen en los van elkaar beantwoorden.

Het antwoord op de eerste vraag is niet zo makkelijk te geven. (Dat zegt al iets over de kwaliteit van de wet. Blijkbaar laat de wet op dit punt meerdere interpretaties toe.) De Belastingdienst is er een aantal jaren van uitgegaan dat de wet ruimte laat voor dergelijke ontzorgconstructies, maar minister Kamp en staatssecretaris Weekers denken daar nu toch anders over. Laten we eerst de wettekst erbij halen. Het betreft artikel 50 van de Wet Belastingen op Milieugrondslag:

Artikel 50

1. Met betrekking (…) elektriciteit wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker (…).

2. Indien de verbruiker, bedoeld in het eerste lid, via een aansluiting elektriciteit op het distributienet heeft ingevoed ter zake waarvan artikel 31c dan wel artikel 95c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 wordt toegepast, is het eerste lid van toepassing op het positieve saldo van de via de aansluiting geleverde elektriciteit minus de via de aansluiting ingevoede elektriciteit.

(…)

4. Als een levering als bedoeld in het eerste lid wordt mede aangemerkt het verbruik van aardgas en elektriciteit, indien:
a. deze producten op andere wijze zijn verkregen dan door een levering als bedoeld in het eerste lid;
(…)

5. Het vierde lid is niet van toepassing met betrekking tot de verbruiker die:

a. elektriciteit heeft opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van elektriciteit uit biomassa die niet als zuivere biomassa wordt aangemerkt;

(…)

Lid 1 zegt dat wanneer er elektriciteit via een aansluiting aan een verbruiker geleverd wordt, er energiebelasting over het gebruik daarvan moet worden betaald. Lid 2 zegt dat wanneer duurzame elektriciteit wordt teruggeleverd aan het net door een kleinverbruiker en deze gesaldeerd mag worden zoals beschreven in de Elektriciteitswet, dan ook alleen energiebelasting hoeft te worden betaald over het nettoverbruik. Lid 4 zegt dat wanneer elektriciteit op een andere manier is verkregen, dus niet via de aansluiting, er toch sprake is van levering en energiebelasting moet worden betaald. Lid 5 zegt dat voor hernieuwbare elektriciteit een uitzondering wordt gemaakt op Lid 4.

Het is goed de verhouding tussen de lid 2 en lid 4, aanhef en onderdeel a. nog verder te concretiseren. In lid 4 staat dat wanneer er zonnepanelen op het dak van een woning liggen, over de elektriciteit die aan de eigen woning wordt geleverd en de aansluiting niet passeert, geen energiebelasting hoeft te worden betaald. Lid 2 voegt daar aan toe dat teruggeleverde duurzame elektriciteit ‘gesaldeerd’ mag worden met de afname van elektriciteit van het net.

De cruciale zin waarover verschil van inzicht is, is deze: ‘de verbruiker die elektriciteit heeft opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen’. De minister zegt dat hier gelezen moet worden: ‘de verbruiker die zelf elektriciteit heeft opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen’. Deze zelfopwekking heeft als criterium dat zij voor ‘eigen risico en rekening’ geschiedt. Dit criterium komt niet in de wet zelf voor, maar is een interpretatie van bovengenoemde zinsnede door de minister die niet eerder zo gegeven is.

Vooral de gelijkschakeling tussen ‘zelfopwekking door de verbruiker’ en het criterium ‘voor risico en rekening’ is omstreden. Want dit criterium volgt niet één-op-één uit ‘zelfopwekking door de verbruiker’. Het probleem is dat ‘zelfopwekking’ nergens goed is gedefinieerd in de wetgeving. (Dat geldt ook voor andere begrippen, zoals ‘levering’, ‘verbruiker’, etc.) De interpretatie die minister Kamp geeft is een nadere precisering – en daarmee onvermijdelijk een inperking – van een onduidelijk begrip. Het criterium ‘voor risico en rekening’ brengt ook niet de helderheid die nodig is. In zijn antwoord aan de Eerste Kamer definieert de minister deze begrippen als volgt:

“Voor wat betreft het element ‘rekening’ is bij zonnepanelen vereist, dat de kosten van het gebruik van de installatie voor rekening van de verbruiker komen. In geval van eigendom behoren daartoe de onderhoudskosten, maar in geval van huur of lease is het voldoende dat de huur- of leasetermijnen voor rekening van de verbruiker komen. Voor wat betreft het element ‘risico’ is bij zonnepanelen vereist, dat ingeval de hoeveelheid daadwerkelijk opgewekte elektriciteit mee- of tegenvalt, deze afwijkingen rechtstreeks ten bate c.q. ten laste van de verbruiker komen. Hieraan is bij huur of lease voldaan, als de huur- of leasetermijnen enkel gerelateerd zijn aan de duur van het gebruik en niet aan de hoeveelheid opgewekte elektriciteit. Van opwekking voor rekening en risico van de verbruiker is echter geen sprake als de zonnepanelen onder zodanige voorwaarden ter beschikking gesteld worden dat de verbruiker mede voor de hoeveelheid opgewekte elektriciteit betaalt.”

De zonnepanelen hoeven dus niet in eigendom te zijn van de verbruiker, zo maakt de minister duidelijk. Leasen of huren mag ook. De vraag die dan direct rijst, is waarom de minister niet voor een strengere interpretatie gekozen heeft. Het knelpunt zit echter vooral in het begrip ‘voor risico van de verbruiker’. Risico’s zijn er immers in verschillende vormen en kunnen op meerdere manieren worden afgedekt. Wanneer bijvoorbeeld een vaste kWh-prijs wordt overeengekomen voor de opgewekte elektriciteit, dan heeft een elektriciteitsprijsstijging of -daling positieve of negatieve gevolgen voor de businesscase. Ook is een beleidswijziging altijd een risico – zo blijkt maar weer. Daarnaast kan elk huishouden zich laten verzekeren voor schade aan zijn zonnepanelen of een lagere opbrengst dan verwacht en daarmee de risico’s bij een derde partij neerleggen. En is een huur- of leasecontract met een variabele huur wel mogelijk? De hoogte van de huur kan immers alsnog gerelateerd worden aan de opbrengst of aan de elektriciteitsprijs.

Het onderscheid dat gemaakt wordt tussen een leaseconstructie met een vast leasebedrag (‘wel risico’) en een constructie op basis van een kWh-tarief (‘geen risico’) is te rigide en doet geen recht aan de werkelijkheid. Er zijn immers tal van constructies mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan een contract waarin er sprake is van een vast leasebedrag plus een bedrag op basis van het aantal geleverde kWh’s. Mag dit? (Waarschijnlijk niet.) In het ZonVast-concept van Greenchoice is er sprake van een kWh-tarief, maar als de installatie minder produceert dan een vooraf geprognotiseerde minimumopbrengst, dan gaat de verbruiker wel degelijk het schip in. Hier is dus sprake van een kWh-tarief, maar ook een flink risico voor de verbruiker. In elk contract dat gesloten wordt is er sprake van een zeker risico bij beide partijen.

De nieuwe interpretatie werpt nog meer vragen op. Want hoe valt deze ooit te handhaven door de Belastingdienst? (De Belastingdienst heeft haar handen al vol aan het bestuderen van ‘postcoderozen’.) De elektriciteitsmeter ‘ziet’ niet of de teruggeleverde elektriciteit wel voor risico en rekening van de verbruiker is opgewekt. De energieleverancier, die de energiebelasting moet innen, weet daar dus niets van. Gaat de Belastingdienst met een busje door de wijken rijden en bij woningen met zonnepanelen aanbellen om te vragen of de zonnepanelen wel voor risico en rekening van de verbruiker op het dak liggen?

Kortom, het criterium ‘voor risico en rekening’ volgt niet één-op-één uit het principe van zelfopwekking, maar is daar een beperkte, nadere precisering van. Het criterium is – evenals de ‘postcoderoos’ – een ‘Haags bedenksel’: tamelijk willekeurig en lastig uitvoerbaar. Deze constatering brengt me bij een antwoord op de tweede vraag. Wat deze kwestie opnieuw duidelijk maakt, is dat de wetgeving op het punt van decentrale duurzame elektriciteitsopwekking niet robuust is. Al een aantal jaren is er discussie over de interpretatie  van verschillende onderdelen van de Elektriciteitswet en de Wet Belastingen op Milieugrondslag op dit punt. Dat zal voorlopig niet anders worden, tenzij het roer radicaal omgaat. In deze kwestie kun je alleen duidelijkheid scheppen door het salderen achter de meter in alle situaties toe te staan, mits er sprake is van hernieuwbare elektriciteit en deze achter de meter is ingevoed. Andere, niet fysieke criteria leiden onherroepelijk tot nieuwe discussies.

Vandaag heeft de Eerste Kamer met de motie Vos minister Kamp teruggefloten. Hoe het verder gaat, is nog niet duidelijk. De minister kan de motie immers naast zich neerleggen. Staatssecretaris Weekers heeft al gezegd dat hij de motie niet uitvoerbaar acht. Wordt vervolgd…

Naschrift
Begin juni antwoordde minister Kamp het volgende op de vragen van Tweede Kamerlid Stientje van Veldhoven (D66): “Mevrouw Van Veldhoven sprak erover dat je ook je dak kunt verhuren. Wat is nu eigenlijk het verschil tussen die optie en het werken met je eigen ketel? Wat bepaalt wat voor eigen risico en rekening is? De salderingsregeling is van toepassing op het opwekken van elektriciteit achter de elektriciteitsmeter. Dat is het bepalende criterium. Het eigendom van de opwekinstallatie achter de elektriciteitsmeter is voor dit wetsvoorstel niet relevant. Het gaat erom dat je elektriciteit opwekt en dat je dat achter de meter doet. Met de vraag hoe je het precies doet en of je dingen least of verhuurt, bemoeien wij ons niet. Dat heeft, zo denken wij, geen meerwaarde.” Deze uitspraak lijkt in tegenspraak te zijn met de antwoorden die de minister recent heeft gegeven.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: