Stilstand of vooruitgang?

Vorig jaar werd het energieakkoord met veel enthousiasme gepresenteerd. Eén van de vele maatregelen uit het akkoord betreft de kortingsregeling op de energiebelasting voor de leden van lokale energiecoöperaties. Koepelorganisatie e-Decentraal meldde dat zij deze maatregel beschouwde als het maximaal haalbare en een eerste stap in de goede richting. Lokale initiatieven kunnen nu tenminste aan de slag, zo stelde e-Decentraal, maar er is nog veel werk te doen. Lokale energiecoöperaties reageerden gemengd. Sommige coöperaties zijn enthousiast aan de slag gegaan, andere zagen er bij voorbaat geen brood in of kijkt eerst de kat uit de boom.

De teleurstelling is begrijpelijk. De berekening is immers snel gemaakt. In de SDE+ wordt gerekend met een basisbedrag van € 0,147 per kWh voor een zonnestroominstallatie van 15 kWp of groter. Wanneer deze stroom tegen deze ‘kostprijs’ wordt opgewekt met een zonnestroominstallatie van een lokale energiecoöperatie en deze stroom kosteloos door een energieleverancier zou worden doorgeleverd aan de leden, dan zouden zij daar effectief zo’n € 0,23 per kWh voor betalen. In principe zou dit een rendabele businesscase moeten opleveren, omdat de ‘onrendabele top’ gesubsidieerd wordt.

Haalbare kaart?

De businesscase van een lokale energiecoöperatie is echter verschillend van de businesscase zoals deze in de berekening van het basisbedrag in de SDE+ wordt gehanteerd. Enerzijds hoeft een energiecoöperatie niet dezelfde rendementseis te hanteren als een marktpartij, kan zij uitgaan van een langere economische levensduur en kan zij vermogen aantrekken door crowdfunding. Anderzijds moet de energiecoöperatie allerlei andere kosten maken, waarmee niet gerekend lijkt te zijn bij het opstellen van de regeling. Een tweede aansluiting moeten worden gerealiseerd, kosten moeten worden gemaakt om Garanties van Oorsprong te kunnen verhandelen en een energiecoöperatie draaiend houden is niet ‘gratis’, om een paar zaken te noemen.

Dit jaar zal duidelijk worden of het lokale energiecoöperaties lukt om met een realistische businesscase te komen. Daarbij liggen een aantal gevaren op de loer. In de eerste plaats bestaat het gevaar dat de businesscase te gunstig wordt voorgespiegeld en burgers niet goed beseffen waar zij instappen. (Verderop in dit artikel kom ik daarop terug.) In de tweede plaats zullen gemeenten en provincies naar verwachting deze lokale energiecoöperaties gaan subsidiëren zodat ze levensvatbaar worden. Dit is onwenselijk, omdat daarmee gemaskeerd wordt dat de regeling die bedoeld is om in het hele land effect te sorteren, blijkbaar niet voldoende is. In de derde plaats kan de teleurstelling groot zijn als een businesscase niet haalbaar blijkt te zijn of te weinig enthousiaste leden weet te mobiliseren. De beweging die met veel enthousiasme is begonnen, dreigt dan gefrustreerd te raken.

Consumentenbescherming

Intussen heeft een aantal andere commerciële partijen het speelveld betreden. Op zichzelf is daar niets mis mee, maar bij de initiatieven die zij nu ontwikkelen en aan de man proberen te brengen, kunnen vraagtekens worden gezet. De consument wordt een verhaal verteld zonder hem daarbij te informeren over de risico’s en alternatieven. Eén van de pijlers waar hun businesscases doorgaans op rusten, is een forse energieprijsstijging de komende 25 jaar. Daarbij wordt dan verwezen naar cijfers van het CBS, die echter niet als uitgangspunt voor de stijging van de kWh-prijs genomen kunnen worden. Wie een prijsstijging van 4% per jaar over 25 jaar loslaat op een prijs van € 0,22 per kWh, komt uit op een kWh-prijs van € 0,59 in 2038. Het is nogal onrealistisch – misleidend? – om zich daarop te baseren.

Daarnaast wordt door deze initiatieven onvoldoende duidelijk gemaakt, welke risico’s aan deelname kleven. Deelnemers kunnen immers hun inleg kwijt zijn als het project omvalt. Daarnaast kan de rentabiliteit van een project veranderen als de overheid de voorwaarden tussentijds wijzigt (een reëel risico!). Deelnemers beseffen vermoedelijk onvoldoende dat zij het voorgespiegelde rendement moeten relateren aan het risico en de looptijd van hun niet ‘vrij opneembare’ investering. Wie € 1.000 voor 15 jaar vastzet bij de Rabobank, krijgt daarover 4% rente per jaar. Het risico is minimaal. Zakelijk gezien mag daarom een hoger rendement verwacht worden voor een investering met een hoger risico en een lange(re) looptijd.

Natuurlijk denkt een gemiddelde consument niet zo zakelijk. Andere redenen kunnen een belangrijke rol spelen, zoals de wens zelf je eigen energie op te wekken en een bijdrage te leveren aan het milieu. Maar dat ontslaat de initiatiefnemer niet van zijn verantwoordelijkheid om een robuuste businesscase te presenteren en de uitgangspunten en risico’s helder te communiceren. Onderdeel van de Wetgevingsagenda STROOM is het afbouwen van de consumentenbescherming van particuliere kleinverbruikers. Deze consumentenbescherming kan op sommige punten inderdaad worden versoberd, maar zij zou moeten worden versterkt als het gaat om participaties in duurzame energie-installaties.

Bijsluiter

Wellicht dat een bijsluiter bij deelname aan dergelijke projecten een deel van de oplossing kan zijn. Wie als particulier wil investeren in een windpark, wordt gevraagd eerst een uitgebreide prospectus te lezen, waarin alle voorwaarden en risico’s beschreven staan. Wie hetzelfde bedrag investeert in een energiecoöperatie, krijgt een vergelijkbare brochure niet. Daarom zou het goed zijn als een onafhankelijke partij, zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland of de Consumentenbond, een bijsluiter opstelt dat inzicht geeft in de risico’s en rendementen van een bepaalde investering. Initiatiefnemers kan gevraagd worden hun aanbieding op een bepaalde manier te presenteren.

Deze bijsluiter zou de volgende ‘ingrediënten’ moeten bevatten:

  • Toelichting op de gekozen constructie. Aan wie wordt de stroom van de installatie verkocht en tegen welke prijs? Of is er sprake van directe doorlevering aan de leden van de energiecoöperatie? Is dit laatste het geval, wat betekent dat dan voor de leden? Kunnen zij nog wisselen van energieleverancier of zitten zijn voor een (erg) lange periode bij dezelfde energieleverancier? Welke ‘prijs’ betalen de leden daarvoor? Ontvangt de initiatiefnemer van het project voor het aanbrengen van nieuwe klanten een vergoeding? Hoe verdient de initiatiefnemer zijn geld?
  • Uitgangspunten. Welke uitgangspunten worden gehanteerd, bijvoorbeeld ten aanzien van verwachte elektriciteitsprijsstijgingen? Wat zijn realistische uitgangspunten? Wat zijn de consequenties als de voorspelde prijsstijgingen uitblijven? Welke looptijd wordt gehanteerd? Bestaat er de mogelijkheid tot tussentijds uitstappen? Zo ja, tegen welke voorwaarden?
  • Risico’s. Welk risico lopen de deelnemers? Hoe risicovol is hun investering op een schaal van 1 tot 5? Hoe ziet de ‘risicometer’ eruit?
  • Rendement. Welk rendement mag worden verwacht en hoe verhoudt zich dit rendement tot het risico, de looptijd en de hoogte van het ingelegde bedrag?
  • Belasting. Over aandelen in een duurzame energie-installatie moet ook vermogensbelasting worden betaald (box 3). Daarbij gaat de Belastingdienst er vanuit dat de investeerder 4% rendement maakt op deze belegging. Boven een heffingsvrij vermogen betaalt hij daarover 30% belasting, wat betekent dat hij effectief 1,2% belasting betaalt over de investering. (Ontvangt de deelnemer een lager rendement dan deze 1,2% per jaar, dan betaalt hij netto meer dan hij ontvangt.)

Terugblik en vooruitblik

De komende maanden zullen tientallen energiecoöperaties en andere geïnteresseerden aan de slag gaan met het opstellen van een businesscase. Een mooie ontwikkeling daarbij is dat verschillende initiatiefnemers bereid zijn hun rekenmodellen te delen en te laten becommentariëren. Dat verhoogt de transparantie en samenwerking tussen initiatieven. Tegelijkertijd wordt al snel duidelijk dat de marges erg krap zijn. Het is twijfelachtig of een robuuste en rendabele businesscase mogelijk is (zonder subsidie van lokale overheden en/of een langjarig contract bij één energieleverancier).

En wanneer een goede businesscase wel gelukt is, dan is dat nog maar het begin van de uiteindelijke realisatie van het project. De administratieve lasten lijken hoog te zijn. Energieleveranciers zijn immers niet verplicht mee te werken aan de uitvoering van deze regeling. (Want welk belang hebben zij daarbij?) Een aantal zal dat naar verwachting dan ook niet doen, wat tot uitvoeringsproblemen gaat leiden. Leden moeten geworven worden, waarna verschillende controles moeten worden uitgevoerd op het ledenbestand. De afrekening zal ook niet vlekkeloos verlopen. Energieleveranciers factureren immers niet allemaal op hetzelfde tijdstip over dezelfde periode van hun klanten. Ook daarover zullen dus afspraken met energieleveranciers gemaakt moeten worden. Energieleveranciers hebben de afgelopen jaren veel fouten gemaakt met het salderen achter de meter. De vraag is of zij in staat zijn deze regeling nu wel foutloos uit te voeren.

Mijn sombere verwachting is dat de kortingsregeling niet gaat werken. Energiecoöperaties zullen moedig aan de slag gaan, maar hoeveel plannen halen de eindstreep? Deze regeling creëert daarnaast een markt voor partijen die troebele businesscases aanbieden waar de deelnemer niet beter van wordt. Deze regeling is geen vooruitgang, maar zorgt voor stilstand.

In de onderhandelingen die tot het energieakkoord hebben geleid, is op het verkeerde paard gewed. De huidige regeling is niets anders dan een uitwerking van het regeerakkoord op dit punt. De ruimte die er was, is niet benut. De gedachte dat deze maatregel een stap in de goede richting is, is een inschattingsfout van de ‘groene’ onderhandelaars geweest. De visie daarachter is steeds geweest, dat een korting op de energiebelasting een eerste stap is op weg naar volledige vrijstelling van energiebelasting voor duurzame energie. (Dat laatste is nog steeds expliciet één van de doelen van e-Decentraal.) Deze laatste stap zal echter nooit gezet worden. Diederik Samsom had de mogelijkheid daartoe, maar heeft deze stap uiteindelijk ook niet gezet. Dat geeft te denken.

De kortingsregeling is bedacht zonder daarbij de bredere context van het energie- en klimaatbeleid in het oog te houden. Wanneer gekozen wordt voor fiscale stimulering van duurzame energie door een korting op de energiebelasting, dan moet men dat over de hele linie consequent doorvoeren. Dat kan alleen Europees, maar die richting is men (nog) niet ingeslagen. In Nederland en andere lidstaten is gekozen voor het beprijzen van CO2-uitstoot in het Europese Emissiehandelssysteem en het stimuleren van duurzame energie door exploitatiesubsidies die de onrendabele top vergoeden. Het had dan ook in de rede gelegen als er binnen de SDE+ een aparte categorie voor energiecoöperaties was gecreëerd. Een deel van de problemen had daarmee voorkomen kunnen worden. Wellicht dat het Meldpunt Knelpunt van Ed Nijpels, voorzitter van de borgingscommissie energieakkoord, deze discussie alsnog kan faciliteren en daardoor over een jaar alsnog tot een effectieve regeling besloten wordt.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: