Groenste energieleverancier?

Over groene stroom is veel te doen. Want wat is precies groene stroom? De elektronen die uit het stopcontact komen, zijn immers niet groen of grijs. Groene stroom is stroom uit duurzame energiebronnen, zoals windturbines, waterkrachtcentrales en zonnepanelen. Deze stroom wordt in het elektriciteitsnet ingevoed, net zoals stroom uit kolen- en gascentrales. Alle elektriciteit komt dus ‘op de grote hoop’ terecht. Afnemers, zoals bedrijven en huishoudens, betrekken vervolgens stroom van het elektriciteitsnet.

In Nederland en andere landen wordt de productie van duurzame elektriciteit gesubsidieerd. Op die manier groeit het aandeel duurzame stroom in de elektriciteitsmix. In EU-verband is afgesproken dat elke lidstaat een specifieke doelstelling moet halen. Nederland moet 14% van het energieverbruik in 2020 duurzaam opwekken. Parallel aan dit systeem bestaat er een systeem van Garanties van Oorsprong. Elke duurzame energie-installatie krijgt voor elke MWh (1 MWh = 1.000 kWh) die het opwekt een zogenaamde Garantie van Oorsprong. Deze GvO toont aan dat de stroom duurzaam is opgewekt. Deze GvO’s kunnen (internationaal) verhandeld worden.

Omdat alle stroom op de grote hoop terechtkomt, kunnen energieleveranciers met GvO’s aantonen dat zij stroom groen inkopen. Wat zij dan feitelijk doen, is grijze stroom (stroom uit kolen- en gascentrales met een klein aandeel duurzame elektriciteit) op de elektriciteitsmarkt inkopen en deze ‘vergroenen’ door er een GvO aan vast te plakken. Maar dat betekent ook dat de stroom die is opgewekt met een duurzame energie-installatie niet per definitie als groene stroom mag worden verkocht, omdat de GvO immers al aan een andere kWh is toegekend. Stroom en GvO’s zijn dus twee verschillende markten.

In principe is er niets mis met dit systeem. Toch gaat er iets mis. Want het systeem werkt alleen goed als alle EU-lidstaten er even serieus aan meedoen. Dat is echter niet het geval. De Noren geven weinig om de GvO’s die hun waterkrachtcentrales opleveren en verkopen ze op de markt. De Noren zelf gaan er vanuit dat hun stroom groen is, maar de klanten van energieleveranciers die groene stroom kopen door middel van deze GvO’s ook. Er is dan sprake van dubbeltelling. Omdat veel lidstaten eigenlijk niet serieus meedoen met de handel in GvO’s, zijn ze weinig waard en kunnen ze voor een habbekrats worden gekocht. Een belangrijk punt dat hiermee samenhangt, is het feit dat deze handel in GvO’s niet bijdraagt aan de hernieuwbare energiedoelstellingen van de lidstaten. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan zou het inkopen van GvO’s uit Noorwegen bijdragen aan de duurzame energiedoelstelling van Nederland. Het resultaat zou natuurlijk zijn dat er een serieuze handel ontstaat. Dat is nu niet het geval. Het is dan ook begrijpelijk dat verschillende organisaties kritiek hebben geuit op de handel in GvO’s en de verkoop van door GvO’s vergroende stroom.

Zeven organisaties met een breed maatschappelijk draagvlak –  Consumentenbond, Greenpeace, Hivos, Natuur & Milieu, Vereniging Eigen Huis, Wereld Natuur Fonds en WISE – deden een onderzoek naar de duurzaamheid van energieleveranciers en presenteerden deze week de resultaten. De ‘ranking’ van energieleveranciers kreeg ruime aandacht in diverse media. Aan het onderzoek is een actie gekoppeld om consumenten ertoe te bewegen over te stappen naar een groene energieleverancier.

Al snel ontstond er discussie over de kwaliteit van het onderzoek. Welke uitgangspunten worden gehanteerd? Welke keuzes worden er gemaakt? Hier Klimaatbureau, dat gesponsord wordt door Essent, reageerde direct en vond dat Essent onterecht onderaan de ranglijst bungelt. Het bijstoken van biomassa wordt in het onderzoek immers op gelijke voet geplaatst met het verstoken van kolen en gas. Essent stookt veel biomassa bij in haar kolencentrales, maar wordt daarvoor niet gewaardeerd, omdat de milieuorganisaties biomassabijstook niet duurzaam vinden. Hoewel de reactie van Hier Klimaatbureau geen slimme zet is – want hoe onafhankelijk is zij nog? – zet zij wel aan het denken. Wat ook te denken geeft, is het feit dat de milieuorganisaties (met uitzondering van Greenpeace) verdienen aan de actie waarmee consumenten worden overgehaald over te stappen naar een andere energieleverancier. Er wordt immers samengewerkt met vergelijkingssite Prizewise en via Prizewise krijgen de vier milieuclubs een fee per overgestapte klant. Natuur en Milieu wordt daarnaast gesponsord door Eneco en het WNF heeft een strategische samenwerking met Eneco. Dus ook hier kan de suggestie worden gewekt dat de betrokken partijen niet geheel neutraal zijn.

Uiteindelijk draait het mij om de argumentatie en de methodologie, niet om allerlei vragen over vooringenomenheid. In het onderzoek worden energieleveranciers in Nederland beoordeeld op basis van twee criteria: 1) de eigen productie, inkoop en levering; en 2) de investeringen en desinvesteringen in de periode 2010-2013. Als een energieleverancier geen eigen productiecapaciteit heeft, wordt zij alleen op grond van het eerste punt beoordeeld. Voor de specifieke invulling en uitwerking van deze criteria verwijs ik naar het rapport.

De methodologie roept bij mij allerlei vragen op.

  • Waarom is gekozen voor de periode 2010-2013? Stel dat een energieleverancier in 2014 fors investeert in duurzame energie of fors heeft geïnvesteerd in 2009, dan komt deze er bekaaid vanaf. Is dat eerlijk?
  • Waarom spelen (des)investeringen zo’n belangrijke rol in de beoordeling? Stel dat een energieleverancier met alleen maar duurzame productiecapaciteit niet heeft geïnvesteerd in de periode 2010-2013, is de stroom dan minder groen?
  • Zouden andere criteria niet tot andere uitkomsten leiden? Voorbeelden van andere criteria zijn: hoeveel onderneemt de energieleverancier om haar klanten te stimuleren energie te besparen? Hoe stelt de energieleverancier zich op ten aanzien van een hogere CO2-prijs of CCS?
  • Waarom worden ppa’s (power purchase agreements) als eigen productie beschouwd? Deze stroom wordt toch eigenlijk ook ingekocht en behoort niet tot de eigen capaciteit van een energieleverancier?
  • In het rapport staat de volgende opmerking: “Het was helaas onmogelijk om rekening te houden met de verhouding tussen de investeringen en de omvang van het bedrijf.” Is deze verhouding niet juist heel essentieel?
  • Is er rekening gehouden met de doelgroep van de energieleveranciers? Met andere woorden: aan wie leveren de energieleveranciers (consumenten, bedrijven, industrie) en wat betekent dat voor de beoordeling?
  • Is het terecht dat biomassabijstook in kolencentrales gelijk wordt gesteld aan kolen en gas? Het kan waar zijn dat biomassabijstook leidt tot het (gesubsidieerd) langer openblijven van kolencentrales, maar is dat argument valide? Je kunt immers de vraag omdraaien: gaan de kolencentrales eerder dicht als biomassa niet wordt meegestookt? Dat er sprake is van subsidie kan geen argument zijn; dat geldt immers ook voor de andere vormen van duurzame energie.
  • Hoe worden de GvO’s uit binnen- en buitenland gewaardeerd? Welke methode en uitgangspunten worden daarbij gehanteerd? Is Duitse windstroom minder ‘groen’ dan Hollandse windstroom?
  • Is het terecht dat stroom uit gascentrales als duurzamer wordt beoordeeld dan stroom uit biomassabijstook? Is het terecht dat stroom uit afvalverbranding in de middengroep staat? Waarom staat kernenergie in de minst duurzame categorie? Is deze stroom niet vrijwel CO2-neutraal? Kortom: wat is het criterium?
  • Is onderzocht hoe de handel in GvO’s door de groene energieleveranciers met eigen duurzame productiecapaciteit is geregeld? Verkopen zij de GvO’s (altijd) samen met de stroom of verkopen ze beide (ook) apart? Komt het voor dat de GvO’s van eigen windturbines worden verkocht en GvO’s uit Noorse waterkracht worden gekocht?

Op al deze vragen zijn verschillende antwoorden mogelijk met verschillende rankings als resultaat. Ik vind het onderzoek methodologisch onvoldoende helder (op basis van wat ik heb kunnen lezen). Weten we nu wat echte groene stroom is? Ik vind van niet.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: