Uitspraak CBB bommetje onder stadswarmte?

Op 22 april 2014 deed het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) uitspraak in een zaak die door VEMW ingesteld was tegen de Staat over de gasaansluitplicht in warmtegebieden. Deze uitspraak lijkt mij nogal wat gevolgen te hebben, hoewel daarover nog weinig geschreven is. Legt deze uitspraak een bommetje onder stadswarmte?

Nu ben ik geen jurist en ik heb op dat gebied ook geen aspiraties. Ik schrijf dit dus met een grote slag om de arm: ik kan het mis hebben. In dat geval laat ik me graag corrigeren.

Wat is het geval? In de Gaswet is geregeld dat netbeheerders een aansluitplicht hebben. (Artikel 10, zesde lid, onder a: de netbeheerder heeft als taak “een ieder die verzoekt om een aansluiting die een doorlaatwaarde heeft van ten hoogste 40 m3(n) per uur te voorzien van deze aansluiting”.) Concreet betekent dit dat als je als woningeigenaar een aansluiting op het gasnet wilt, de netbeheerder deze moet aanleggen. De tarieven die daarvoor in rekening mogen worden gebracht, zijn gereguleerd door de overheid.

Deze aansluitplicht gold echter niet overal. Zogenaamde ‘warmtegebieden’ – gebieden waar stadswarmte wordt geleverd – kunnen worden uitgezonderd van deze aansluitplicht. (Artikel 12b, eerste lid, onder f: “… waarbij bepaalde gebieden kunnen worden uitgezonderd indien zich in dat gebied een warmtenet als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Warmtewet bevindt of gaat bevinden…”) Dat betekende dat netbeheerders niet verplicht waren om een gasaansluiting aan te leggen bij woningen en gebouwen in deze warmtegebieden.

Tot 22 april. Want toen oordeelde de rechter (CBB) dat de ACM haar huiswerk niet goed heeft gedaan. De ACM heeft op basis van de Gaswet en aan de hand van een voorstel van de netbeheerders een Gebiedsindeling vastgesteld. In deze Gebiedsindeling (artikel 1.1.3) staat echter dat de daarin aangegeven grenzen slechts globale aanduidingen zijn. Het CBB oordeelde dat de ACM heeft nagelaten een precieze aanduiding te geven, terwijl dat haar opdracht was, en zij deze ten onrechte heeft gedelegeerd aan de netbeheerders.

VEMW bracht tevens in, dat het onduidelijk is wat precies onder een ‘warmtegebied’ moet worden verstaan, zoals beschreven in artikel 4.2 van de Gebiedsindeling. De Warmtewet geeft immers geen duidelijke definitie. Het is de taak van de ACM hier helderheid over te verschaffen, niet van de netbeheerders. Het CBB gaf VEMW gelijk en oordeelde dat de ACM ook op dit punt heeft nagelaten een goede afweging van betrokken belangen te maken en zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de consequenties die een gebiedsaanduiding betekent voor (toekomstige) afnemers. De rechter vernietigde daarom het besluit ‘voor zover dit strekt tot vaststelling van de artikelen 1.1.3 en 4.2, onderdeel a, van de Gebiedsindeling’.

Wat betekent deze uitspraak concreet? Deze uitspraak betekent dat sinds 22 april jongstleden de aansluitplicht ook in de zogenaamde warmtegebieden geldt en een netbeheerder verplicht is een gasaansluiting te realiseren als een kleinverbruiker daarom vraagt, ongeacht of hij ook een aansluiting op de stadsverwarming heeft.

Woningen met stadsverwarming konden tot voor kort maar moeilijk van de stadsverwarming afkomen, omdat er voor netbeheerders geen aansluitplicht was. Deze uitspraak betekent dat een woning daar nu wel vanaf kan, mits de eigenaar bereid is te investeren in een gasaansluiting en een aanpassing van de installatie in de woning.

De postcoderoosregeling: 10 redenen waarom de stekker eruit moet

  1. De regeling is op 1 januari 2014 van start gegaan en was al op hoofdlijnen bekend sinds het regeerakkoord (29 oktober 2012). We zijn nu een half jaar verder en het aantal lokale energiecoöperaties – waar de regeling voor bedoeld is – dat met een project op basis van deze regeling in een vergevorderd stadium is, is op één hand te tellen. En dan is de vraag of de onderliggende businesscases voldoende robuust zijn nog niet beantwoord.
  2. De projecten die er wél zijn, zijn geïnitieerd door commerciële partijen (projectontwikkelaars, energieleveranciers). Was dit de bedoeling van de regeling? Neen. De proposities die deze partijen aan potentiële deelnemers voorleggen, zijn meestal niet transparant, bevatten onvoldoende informatie, beloven te mooie rendementen, voorzien niet in goede uitstapmogelijkheden en zorgen vooral voor een ‘customer lock-in’.
  3. Deze regeling kiest ervoor lokale duurzame energieopwekking te stimuleren via de fiscale route. Dat is een domme keuze. Deze keuze past niet in het grotere geheel van het stimuleringsbeleid van hernieuwbare energie, maakt de regeling kwetsbaar voor politieke koerswijzigingen en zorgt voor een versnipperde uitvoering over twee ministeries. De Belastingdienst moet belasting heffen en geen energiebeleid uitvoeren. Maar bovenal biedt deze regeling geen maatwerk, heeft geen duidelijke horizon en biedt onvoldoende investeringszekerheid. Het alternatief voor deze regeling is voorhanden: de SDE+. Eventueel met een aparte categorie voor energiecoöperaties.
  4. De regeling zorgt voor hoge administratieve lasten, zowel bij energiecoöperaties als bij energieleveranciers en de Belastingdienst. Deze administratieve lasten wegen op geen enkele manier op tegen de effecten van deze regeling.
  5. Energiecoöperaties steken veel tijd in het uitdenken van projecten op basis van deze regeling. Veel initiatieven stranden. Teleurstelling dreigt en veel positieve energie gaat verloren. Het verhogen van de korting – grote kans dat dit gebeurt – maakt de regeling niet veel beter en is een lapmiddel. Een rotte kies moet je niet te lang laten zitten, maar eruit trekken.
  6. De zogenaamde postcoderoos is een Haags bedenksel, ontsproten aan het brein van de Belastingdienst. Postcodes zijn bedacht door de PTT om postbodes op een effectieve manier post te laten bezorgen, niet om energiebeleid op te baseren. Er is daarnaast nog steeds geen goede definitie van een postcodegebied: de grenzen zijn niet wettelijk vastgelegd. Het hanteren van de postcoderoos leidt tot talloze vreemde en oneerlijke situaties.
  7. Veel vragen staan nog open, die ook niet door de Belastingdienst kunnen worden beantwoord. Hoe moet worden omgegaan met de BTW? Is er sprake van een belegging in box 3? Mag het aandeel van ondernemers in de coöperatie maximaal 5% van de leden betreffen of 5% van het ingelegde kapitaal. Geen antwoord.
  8. De regeling heeft weinig draagvlak. Dat deze regeling in het Energieakkoord is terechtgekomen en onder het energieakkoord bijna vijftig handtekeningen staan, betekent niet dat het daarom een slimme en gedragen regeling is. Dat is het namelijk niet.
  9. Het uitgeven van aandelen in een duurzame energie-installatie zou wel eens een vorm van kapitaalparticipatie kunnen zijn en daarom vergunningsplichtig. Je kunt erop wachten dat de AFM binnenkort gaat ingrijpen. En terecht. Er is op dit moment onvoldoende consumentenbescherming.
  10. Het is hoog tijd voor een fatsoenlijk en robuust stimuleringskader voor lokale duurzame energieopwekking. Dat stimuleringskader is er nu niet. Het stopzetten van de postcoderoosregeling is een goede eerste stap om nu – eindelijk! – de energietransitie van onderop opnieuw te gaan faciliteren. Dat Ed Nijpels zegt dat het Energieakkoord een ‘onomkeerbaar proces’ is geworden, betekent (hoop ik) niet dat het gezond verstand wordt uitgeschakeld.

Waarom groeide de CO2-uitstoot in Denemarken en Duitsland?

Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, publiceerde onlangs haar nieuwe cijfers met de CO2-uitstoot van de 28 EU-landen (bron). In 2013 is de gezamenlijke CO2-uitstoot van deze 28 lidstaten met 2,5% gedaald ten opzichte van 2012. Opvallend is dat in de cijfers van Eurostat de uitstoot van de twee ‘groene’ koplopers van Europa, Denemarken en Duitsland, zijn gestegen. Hoe zit dat?

Zoals Eurostat zelf al aangeeft, worden de emissiecijfers beïnvloed door allerlei factoren, zoals weersomstandigheden (koude of warme winter, windrijk of windarm jaar, etc.), de staat van de economie, bevolkingsomvang, transport en industriële activiteiten. De opwekking van duurzame energie en energiebesparing zorgen voor een lagere CO2-uitstoot. Bij dit soort cijfers is het belangrijk naar de onderliggende rekenmethodiek te kijken om te voorkomen dat er onjuiste conclusies of vergelijkingen worden getrokken. Zo kiest Eurostat ervoor om bij import en export van energie de CO2-uitstoot toe te rekenen aan de lidstaten waar de fossiele brandstoffen worden ingezet. De import van elektriciteit uit bruinkoolcentrales uit Duitsland leidt dus niet tot een extra CO2-uitstoot in Nederland. Integendeel, als Nederland meer kolenstroom uit Duitsland importeert dan het jaar daarvoor en kolencentrales in Nederland daardoor vaker stilstaan, betekent dit voor Nederland een daling van de CO2-uitstoot. Dit is dus een andere rekenmethodiek dan die wordt gehanteerd voor het berekenen van de voortgang van de CO2-reductie in het kader van de Europese doelstelling voor CO2-reductie in 2020. In de laatste methodiek wordt immers rekening gehouden met het Europese emissiehandelssysteem en de gezamenlijke elektriciteitsmarkt.

Denemarken

Laten we eerst kijken naar Denemarken. In 2013 was de CO2-reductie ten opzichte van het jaar daarvoor volgens Eurostat +6,8%. In 2012 was deze echter -9,4% (bron). Het Deense Energie Agentschap schrijft in een reactie op deze cijfers (bron), dat de toename van de gerapporteerde CO2-uitstoot in 2013 moet worden toegeschreven aan het feit dat Denemarken in dat jaar fors minder elektriciteit importeerde uit naburige landen, terwijl in 2012 de import hoog was. Deense kolencentrales gebruikten in 2013 daardoor 26% meer kolen dan in 2012 met een forse toename van de nationale CO2-uitstoot als gevolg.

Het Deense Energie Agentschap legt uit dat de import en export van elektriciteit sterk fluctueren. Als het in Noorwegen en Zweden weinig regent, daalt de productie van stroom uit waterkrachtcentrales en stijgt de prijs van elektriciteit op de Scandinavische elektriciteitsmarkt, waardoor Deense kolencentrales meer elektriciteit gaan produceren. En vice versa. Wanneer er gecorrigeerd wordt voor deze effecten van import/export en voor koude/warme jaren, dan daalde de CO2-uitstoot in Denemarken in 2013 met 3,5% en 31% sinds 1990, aldus het Deense Energie Agentschap.

Duitsland

Hoe zit dat in Duitsland? In Duitsland steeg volgens Eurostat de CO2-uitstoot in 2013 met 2,0% gestegen en in 2012 met 0,9%. Toont dit het failliet van de Energiewende aan, zoals sommigen graag beweren? De voorgaande discussie maakt duidelijk, dat je voorzichtig met deze cijfers moet omspringen en ze in een bredere context moet plaatsen. Allereerst is het van belang te kijken naar de export van elektriciteit door Duitsland. In 2013 exporteerde Duitsland een record aan elektriciteit: 32,3 TWh (bron). Het grootste deel daarvan gaat naar Nederland.

De sterke groei van hernieuwbare elektriciteit in Duitsland vult allereerst het gat aan dat door het uitfaseren van kerncentrales is ontstaan. Daarnaast verdringt duurzame elektriciteit vooral elektriciteit uit gascentrales. Kolenstroom is goedkoper geworden door goedkopere kolen vanwege de schaliegasrevolutie in de VS en de (extreem) lage prijs van emissierechten binnen het Europese Emissiehandelssysteem. Zou de prijs van emissierechten op een hoger niveau liggen, dan zou het prijsverschil tussen stroom uit kolen en gas afnemen, waardoor er ook een verschuiving in productie verwacht mag worden, met een lagere CO2-uitstoot als gevolg.

Wanneer de eerste vijf maanden van 2014 worden vergeleken met de eerste vijf maanden van 2013, dan zien we dat de productie van elektriciteit uit wind, zon en biomassa in Duitsland opnieuw fors is toegenomen. Tegelijkertijd zien we een productieafname van -4,1% van stroom uit bruinkool, -13,3% voor steenkool en -25,4% voor gas. Wind, zon en biogas zijn met +27,0%, +34,8% respectievelijk +8,2% toegenomen. Of de Energiewende een succes is (betaalbaar?), vraagt om een afzonderlijke blog, maar deze cijfers zijn indrukwekkend. Over een langere periode bekeken, is de CO2-uitstoot van Duitsland sinds 1990 fors gedaald (-20% over 1990-2013), hoewel de laatste twee jaar een beperkte groei van de uitstoot zichtbaar is. Daarbij moet meegerekend dat Duitsland de laatste jaren fors meer elektriciteit is gaan exporteren naar andere lidstaten.

Nederland

Nederland importeerde in 2013 33 TWh en exporteerde 15 TWh aan elektriciteit. Het grootste deel van de import komt uit Duitsland: 18,3 TWh werd er netto aan elektriciteit geïmporteerd (bron). Nederland leunt relatief zwaarder op gascentrales dan andere landen, maar door de hoge gasprijs, de lage kolenprijs en de lage CO2-prijs kunnen deze gascentrales niet goed concurreren met kolencentrales. De kolenbelasting in Nederland zorgde daar bovenop voor dat Nederlandse kolencentrales minder concurrerend waren in vergelijkbaar met kolencentrales in omringende landen.

Europese aanpak

Je kunt lidstaten niet goed in afzondering vergelijken op basis van de methodiek van Eurostat. Er is sprake van een koppeling van elektriciteitsmarkten, waardoor een hogere elektriciteitsproductie in het ene land zorgt voor minder productie in het andere. De export van kolenstroom uit Duitsland zorgt in de statistieken van Eurostat niet voor een ‘export van CO2-uitstoot’. Dit kan dus betekenen dat in de statistieken van Eurostat een lagere CO2-uitstoot in het ene land veroorzaakt wordt door een hogere import van ‘vieze’ stroom uit het andere land, met als gevolg een hogere CO2-uitstoot in dat andere land. De uitstoot van CO2 door de elektriciteitsmarkt valt binnen het Europese Emissiehandelssysteem en moet ook op die manier – Europees dus – bekeken worden.

Overigens (om het nog ingewikkelder te maken) geldt bovenstaande redenering ook voor duurzame energie. Elektriciteit uit windenergie en zonne-energie wordt immers ook geëxporteerd. Beter geformuleerd: bij de import en export van elektriciteit kun je meestal niet precies zeggen wat voor ‘soort’ elektriciteit het is. Alle elektriciteit komt op de ‘grote hoop’ en vormt een bepaalde elektriciteitsmix. De combinatie van vraag en aanbod bepaalt de prijs. Op een winderige weekenddag kan het aanbod windstroom in Duitsland zodanig zijn, dat de marktprijs van elektriciteit richting de nul (of zelfs daaronder) gaat, met als gevolg dat de export van elektriciteit vanuit Duitsland naar naburige landen toeneemt. Het Duitse elektriciteitsaanbod bestaat op zo’n moment voor een groot deel uit windstroom, maar niet uitsluitend.

Europese Energie Unie

Wat het bovenstaande vooral duidelijk maakt, is dat we een sterker Europees energie- en klimaatbeleid nodig hebben. In Duitsland en andere EU-lidstaten verdringt de toegenomen productie van duurzame elektriciteit vooral de gascentrales, terwijl we liever zien dat kolencentrales minder produceren. In Duitsland is er nog geen oplossing gevonden voor dit probleem. Zo’n oplossing kan alleen in Europees verband worden bedacht en geïmplementeerd.

In de afgelopen weken is van verschillende kanten gepleit voor een Europese Energie Unie. Na de verkiezingen van het Europees Parlement zijn (sommige) politici weer een stuk terughoudender geworden met hun aanvankelijk enthousiaste pleidooi voor dit idee. Lidstaten willen graag de touwtjes van het energiebeleid in handen houden. Maar juist voor een thema als energie en klimaat is de EU het meest geschikte niveau. (Ook dat is subsidiariteit.)

Een Europese Energie Unie betekent wat mij betreft: het effectiever maken van het Europees Emissiehandelssysteem, het harmoniseren en gelijktrekken van stimuleringskaders en -regelingen voor hernieuwbare energie, nog verdere integratie van de energiemarkt (qua wetgeving en infrastructuur) en een kosteneffectieve uitrol van duurzame energie met oog voor werkgelegenheid en innovatie. Een benadering waarin een kopgroep van lidstaten op energie- en klimaatgebied voorop loopt, zou mijns inziens een goed idee zijn. Polen mag niet het tempo in EU bepalen en tegelijkertijd mogen de meer welvarende landen in de EU best een stapje harder lopen. (Ook dat is solidariteit.) De EU is in 1951 begonnen met een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Het is hoog tijd voor een Europese Gemeenschap voor Hernieuwbare Energie en Grondstoffen.

 

Nieuw college, nieuwe koers

Op 19 maart mochten we naar de stembus om een nieuwe gemeenteraad te kiezen. Drie weken later is het formeren van coalities is in volle gang. Op welke punten kunnen politieke partijen elkaar vinden? Wat zijn de harde eisen, de onderhandelbare en de niet-onderhandelbare zaken? Met welk programma gaat de nieuwe coalitie de komende vier jaar aan de slag?

In de meeste coalitieprogramma’s zal een hoofdstuk over duurzaamheid niet ontbreken. De meeste gemeenten hebben de afgelopen jaren tijd en geld geïnvesteerd in het realiseren duurzame projecten: van stadstuinen tot duurzame energiecoöperaties, van oplaadpunten voor elektrisch vervoer tot subsidie voor isolatie van woningen. Nog meer dan daarvoor zullen gemeenten echter de komende collegeperiode de uitgaven onder controle moeten hebben. Er moet bezuinigd worden. Wat betekent dit voor de duurzaamheidsambities van gemeenten?

Deze periode van onderhandelingen biedt een goede gelegenheid om de duurzaamheidsambities van gemeenten tegen het licht te houden. Want aan kritische bezinning op de rol van gemeenten en hun duurzaamheidsambities heeft het wel eens ontbroken. Gemeenten leken soms verwikkeld te zijn in een wedstrijd ver plassen: welke gemeente is het eerste ‘CO2-neutraal’, ‘klimaatneutraal’ of ‘energieneutraal’? In 2040, 2030 of 2020? Wat vaak opvalt in de beleidsplannen waarin deze ambities worden opgeschreven, is dat een goede definitie van deze begrippen en een gedegen onderbouwing van de haalbaarheid ervan veelal ontbreekt.

Wie even nadenkt over het begrip ‘CO2-neutrale gemeente’, komt al snel tot de conclusie dat het niet zo eenvoudig is een sluitende definitie te bedenken. De eerste vraag is natuurlijk wat je tot de uitstoot van de gemeente rekent en wat niet. De kolencentrale in Geertruidenberg – een gemeente met zo’n zevenduizend inwoners – produceert elektriciteit voor zo’n miljoen huishoudens. Bij wie komt de CO2-uitstoot op de balans? Bij de verbruikers of bij de gemeente? Het is redelijk om de CO2-uitstoot van de kolencentrale niet volledig toe te rekenen aan de gemeente waar de kolencentrale staat, maar dat betekent ook dat de CO2-neutrale stroom uit een windturbinepark niet volledig mag worden toegerekend aan de gemeente. Wat betekent dat voor de duurzaamheidsambitie van de gemeente?

Fundamenteler dan de discussie over het –meestal– ontbreken van een goede definitie en onderbouwing van de gestelde duurzaamheidsambities, is de discussie over de rol van gemeenten in de duurzame energietransitie. De gemeente is immers geen eigen koninkrijk met eigen grenzen en een soeverein bestuur. De gemeente heeft specifieke bevoegdheden en is één van de bestuursorganen waar burgers en bedrijven mee te maken krijgen. Zo staan grotere bedrijven in een gemeente onder het bevoegd gezag van de Provincie, neemt de Provincie de regie in de planning van windparken en mag de gemeente niet zomaar zelf nieuwe regels bedenken, bijvoorbeeld op het gebied van de energieprestatie van gebouwen.

De start van een nieuwe collegeperiode biedt gemeenten de kans zich nog opnieuw te bezinnen op de rol van de gemeente in de duurzame energietransitie. Het subsidiëren van duurzame energieopwekking is, bijvoorbeeld, geen bijzondere taak van de gemeente. Daarmee gaat de gemeente op de stoel van het rijk zitten. De gemeente is echter wel een aangewezen partner om prestatieafspraken te maken met woningcorporaties over het energiezuiniger maken van huurwoningen. Ook de verbetering van de lokale luchtkwaliteit en een goede afvalscheiding en -inzameling kunnen voortvarend door de gemeente worden opgepakt.

De nieuwe coalitieakkoorden bieden gemeenten de kans om het duurzaamheidsbeleid niet alleen realistischer te maken, maar vooral ook dichter bij de leefwereld van burgers te brengen. Een klimaatneutrale gemeente in 2040 zegt de burger weinig; concrete doelstellingen voor het energiezuiniger maken van woningen, een schonere lucht en meer groen in de wijken des te meer.

Deze column is op 8 april 2014 gepubliceerd op http://www.energeia.nl.

Hoe stadswarmte gesubsidieerd wordt

In een groot aantal gemeenten worden nieuwe en bestaande woningen aangesloten op stadswarmte. Stadswarmte is meestal restwarmte uit een afvalverbrandingsinstallatie of een elektriciteitscentrale. Omdat deze warmte anders geloosd zou worden, wordt de uitkoppeling en levering van restwarmte aan woningen en gebouwen als duurzaam beschouwd. Over nut en noodzaak van stadswarmte wordt veel gediscussieerd. In dit artikel licht ik één aspect eruit: de indirecte subsidie van stadswarmte.

Een belangrijk verschil tussen het leveren van stadswarmte en het leveren van elektriciteit of gas is dat er voor de levering van stadswarmte geen sprake is van een vrije leverancierskeuze. Heb je eenmaal stadswarmte, dan kom je daar niet meer vanaf. Ook kun je niet wisselen van warmteleverancier. Dat is begrijpelijk, omdat er grote investeringen moeten worden gedaan in het aanleggen van de warmtetransportleidingen en deze investeringen moeten worden terugverdiend. Omdat hier geen sprake is van een vrije leverancierskeuze, worden de tarieven gereguleerd door de ACM op basis van de Warmtewet.

Elk jaar wordt er een maximumtarief vastgesteld voor de levering van warmte. Het Niet-Meer-Dan-Anders principe (NMDA-principe) is daarbij leidend. “Dit principe houdt in dat de maximumprijs bij warmtelevering niet hoger mag zijn dan de kosten die de verbruiker zou moeten maken voor het verkrijgen van dezelfde hoeveelheid warmte bij het gebruik van gas als energiebron”, zo schrijft de ACM in het Warmtebesluit 2014. De berekening van het vaste en variabele tarief voor de levering van warmte wordt dus gebaseerd op de vaste en variabele kosten van warmteopwekking met aardgas, zoals de kosten voor het verbruik van aardgas, de aanschafwaarde en onderhoudskosten van de cv-ketel, de aanschafwaarde en onderhoudskosten van de warmtewisselaar, de meerkosten van elektrisch koken en kapitaallasten.

Een belangrijk aspect dat vaak over het hoofd wordt gezien, is dat over de levering van aardgas energiebelasting moet worden betaald, maar over stadswarmte niet. Voor een m3 aardgas betaalt een huishouden totaal zo’n 55 cent per m3 (excl. BTW). Daarvan is zo’n 19 cent per m3 energiebelasting en ‘opslag duurzame energie’, die naar de schatkist vloeien. Het warmtetarief is gebaseerd op deze 55 cent per m3 inclusief energiebelasting, maar het warmtetarief gaat in z’n geheel naar de warmteleveranciers. Er vindt geen afdracht van energiebelasting over stadswarmte plaats. De producent van de stadswarmte moet in sommige situaties een beetje energiebelasting betalen over de energie die wordt ingekocht, maar dat is een fractie van wat er bij huishoudens in rekening wordt gebracht. We kunnen dus stellen dat warmtelevering fiscaal gesubsidieerd wordt doordat er geen energiebelasting hoeft te worden betaald over warmtelevering. Daar komt nog bij dat de uitbreiding van de warmtelevering in AVI’s aanspraak mogen maken op de SDE+.

Het voorgaande is slechts een constatering, geen waardeoordeel. Subsidies kunnen immers gerechtvaardigd zijn. Over stadswarmte zou je kunnen zeggen, dat het een duurzame manier van restwarmtebenutting is en het daarom deze steun verdient. Maar dan moet wel heel helder zijn dat er sprake is van (indirecte) subsidie. Dat blijft nu vaak onderbelicht. Ik zou nog een stap verder willen zetten. Voor elke subsidie geldt immers dat het Rijk moet nagaan of deze kostenefficiënt wordt besteed en of er wellicht meer kostenefficiënte alternatieven zijn. Concreet zou het Rijk en gemeenten moeten nadenken over de vraag of de maatschappelijke baten van stadswarmte opwegen tegen de maatschappelijke kosten en of er geen betere alternatieven zijn. Goede isolatie kan de warmtevraag in een woning zeer fors reduceren en ook dat is duurzaam. Wellicht zelfs duurzamer? Daarnaast staan de overheid meer instrumenten ter beschikking dan het verlenen van subsidie. Het Rijk zou immers ook een verbod op restwarmtelozing kunnen opleggen. Wat zijn daarvan de maatschappelijke kosten en baten?

De levering van stadswarmte wordt fors door het Rijk gesubsidieerd, maar of dat terecht is, is voor mij nog een vraag.

PS. Er valt nog veel meer over de (on)wenselijkheid van stadswarmte te schrijven. Dat bewaar ik voor een andere keer.

3.000 banen minder door windmolens voor de kust?

Windenergie op zee is de laatste weken vaak het onderwerp van gesprek geweest. Columnisten en economen– veelal niet gehinderd door kennis van zaken – schreven kritische artikelen over de plannen van dit kabinet om fors te investeren in windmolens op zee. De 18 miljard euro die het Rijk aan subsidie wil besteden, was steeds het belangrijkste argument. Moeten we 18 miljard euro subsidie geven aan windmolens, terwijl verzorgingshuizen moeten sluiten?

De forse impuls die windenergie op zee de komende jaren krijgt, is het resultaat van het energieakkoord. Een groot aantal organisaties, van VNO-NCW tot Greenpeace, onderhandelde over een akkoord voor duurzame groei en in september werden alle handtekeningen gezet. Van verschillende kanten en op meerdere onderdelen is het akkoord bekritiseerd. In de eerste plaats is de principiële vraag gesteld of het energiebeleid voor de komende jaren bepaald moet worden door een compromis tussen energiebedrijven, milieuorganisaties, werkgevers en werknemers. Welke expertise heeft de FNV op het gebied van zonne- en windenergie? Hebben we het bestuur van dit land niet uitbesteed aan een kabinet? Moet het energiebeleid van de komende jaren worden vastgelegd in een energieakkoord of moet een kabinet gewoon doen wat nodig is?

Een land als Denemarken laat zien dat ambitieus en succesvol energiebeleid mogelijk is zonder het sluiten van een polderakkoord. Integendeel, de Denen voeren al een aantal jaren consistent beleid en durven duidelijke keuzes te maken. Zo heeft Denemarken recent een verbod op het plaatsen van olie- en gasketels in nieuwe gebouwen geïntroduceerd. Helder en ambitieus. In Nederland beginnen we met de zoveelste – doorgaans weinig effectieve – informatiecampagne. Noé van Hulst, ooit directeur-generaal Energie bij het Ministerie van Economische Zaken, vindt dan ook dat Nederland een voorbeeld moet nemen aan Denemarken.

Ook op de verschillende maatregelen (of het ontbreken daarvan) is terechte kritiek mogelijk. Energiebesparing is een onderschoven kindje, duurzame mobiliteit ontbreekt en de regeling voor lokale duurzame energiecoöperaties is een farce. De discussie concentreert zich nu op windturbines op zee. Ik vind dat de discussie daarover mogelijk moet zijn, ook al is er een energieakkoord. Een verbod op nadenken en discussie lijkt me geen goed idee. Een energieakkoord mag er niet toe leiden dat we een eenmaal ingeslagen pad maar uitlopen omdat dit nu eenmaal is afgesproken.

Toch stoor ik mij aan de discussie over windenergie op zee zoals die nu gevoerd wordt. Een paar opmerkingen.

  • De € 18 miljard betreft alle geprognosticeerde uitgaven door het Rijk aan SDE+-subsidie over een periode van meer dan 15 jaar. Specifieker: het betreft het verplichtingenbudget voor subsidiebeschikkingen die in de periode 2015-2019 worden aangegaan om 3.450 MW aan windenergie op zee in 2023 draaiend te hebben. De kasuitgaven voor deze aangegane subsidies lopen tot 2038 en bedragen gemiddeld zo’n € 900 miljoen per jaar.
  • In het regeerakkoord was een doelstelling van 16% hernieuwbare energie in 2020 opgenomen. Het energieakkoord heeft deze doelstelling bijgesteld naar 14% in 2020 met als gevolg dat de lasten voor burgers en bedrijven minder hard stijgen dan in het regeerakkoord was voorzien. Per saldo stijgt de energierekening met € 1,5 miljard minder in de periode tot 2020.
  • De totale kasuitgaven voor de SDE+ als geheel stijgen van € 200 miljoen in 2014 tot € 2,55 miljard in 2023. Dit betreft dus niet alleen windenergie op zee, maar alle vormen van duurzame energie. Ter vergelijking: het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geeft jaarlijks meer dan € 80 miljard uit. De zorgkosten overstijgen dus vele malen de kosten voor duurzame energie.
  • De kostenreductie voor windenergie op zee van 40% is taakstellend. Dus als deze kostenreductie niet wordt gehaald, krijgen windprojecten niet meer subsidie dan afgesproken is. Dit betekent dat wanneer de kostenreductie niet word gerealiseerd, de ambitie voor 4.450 MW aan windenergie op zee niet wordt gehaald.

De discussie over windenergie op zee is nu opnieuw opgelaaid omdat de kustgemeenten zich zorgen maken over de gevolgen van windturbines dichtbij de kust. Windmolens zouden strandbezoekers wegjagen en dat kan duizenden banen kosten. In eerste instantie werd gesproken over 6.000 banen die op de tocht zouden staan, deze week waren het er 3.000. De kustgemeenten hebben onderzoek laten doen naar de economische effecten van windmolens voor de kust voor recreatie en toerisme. Het onderzoek is uitgevoerd door Buck Consultants International (BCI).

Ik vind het onderzoek verre van overtuigend.

  • Zoals het rapport zelf opmerkt, zijn ‘betrouwbare gegevens over het exacte aantal strandbezoekers beperkt aanwezig’. De cijfers die gebruikt worden komen uit een rapport uit 2004. In dit rapport uit 2004 wordt het volgende opgemerkt: “De raming is gebaseerd op een vrij ruwe schatting van gemeenten en VVV’s, waaraan slechts eigen ervaring en intuïtie, maar geen feitelijke (empirische) gegevens ten grondslag liggen.” Het is twijfelachtig om een rapport over zo’n gevoelig onderwerp te baseren op intuïtieve schattingen uit 2004.
  • In het rapport van BCI worden 9 windparken van elk 300 MW binnen de 12-mijlszone gesitueerd. Het is onduidelijk waarop deze aanname is gebaseerd. Hier wordt dus nadrukkelijk gekozen voor een worst-case scenario, namelijk dat alle zoekgebieden die in de Quickscan naar voren zijn gekomen, worden benut voor de plaatsing van 2.700 MW aan windturbines. Tweederde van de kuststrook zou dan ‘overlast’ ervaren.
  • In het onderzoek wordt sterk geleund op het onderzoek van ZKA (2013) ‘Onderzoek effecten Wind op Zee op recreatie en toerisme’. Voor zover ik weet is daarvan alleen een samenvatting beschikbaar op de website van de ANWB en wordt het volledige onderzoek nog naar de Tweede Kamer gestuurd. In dit onderzoek wordt op basis van afbeeldingen strandbezoekers gevraagd of hun bezoekintenties verandert door de komst van windturbines. De grootste fout die in het rapport van BCI wordt gemaakt, is dat deze bezoekintentie op basis van het zien van een afbeelding één op één wordt doorvertaald in de daadwerkelijke afname van strandbezoek. Je hoeft geen psycholoog te zijn om te weten dat er een groot verschil zit tussen wat mensen zeggen te gaan doen en wat ze daadwerkelijk doen.
  • Terecht merkt de minister van Economische Zaken in een brief aan de Kamer op: “Graag merk ik op dat de in het onderzoek gepresenteerde effecten gebaseerd zijn op vragen over de bereidheid tot een toeristisch bezoek aan kustlocaties bij mogelijke plaatsing van windmolens op verschillende afstanden van de kust en niet op metingen van daadwerkelijke effecten. Zoals het rapport zelf ook stelt, zal in de praktijk doorgaans een (veel) kleiner percentage mensen het voorgenomen gedrag daadwerkelijk vertonen.”
  • In het rapport van BCI staat: “Hieruit blijkt dat een significant aandeel van de ondervraagde recreanten aangeeft voor een andere bestemming, zijnde stranden zonder zicht op windmolens, te kiezen.” Is dit waterbedeffect meegenomen? Met andere woorden: is er alleen een verschuiving van strandbezoek naar andere stranden of is er daadwerkelijk sprake van een netto afname? Dit punt is nogal essentieel.
  • In een rapport van Decisio staat: “Onderzoek naar de effecten van offshore windmolenparken op toerisme en recreatie staat in de kinderschoenen. Offshore windmolenparken bestaan immers nog niet lang en zijn er niet in grote getale. In Engeland is bijvoorbeeld in Great Yarmouth het toerisme toegenomen na het plaatsen van offshore windmolenparken. Er staan meer mensen positief dan negatief tegenover het plaatsen van de windmolens, maar er zijn mensen die aangeven een ander strand op te gaan zoeken. Ook is er nog geen bewijs gevonden voor dalende huizenprijzen als gevolg van het veranderde uitzicht. Al met al is er nog geen eenduidig beeld over de gevolgen voor toerisme. In belevingsonderzoek komt nu ook naar voren dat er geen aanwijzingen zijn dat de onderzochte windmolenparken van invloed zijn op recreatie en of huizenprijzen.” Het rapport van BCI verwijst wel naar andere rapporten van Decisio, maar helaas niet naar dit rapport.
  • Voor de kust van Bergen staat ook een windpark op een afstand van 10 km. De wethouder van de gemeente heeft aangegeven dat er geen waarneembaar effect is geweest op toerisme en recreatie.

Ik zeg niet dat we alle zoekgebieden binnen de 12-mijlszone direct moeten volzetten met windturbines. Maar een fatsoenlijke discussie daarover, gebaseerd op robuust onderzoek en niet op broddelwerk, moet toch mogelijk zijn. Ik kan me moeilijk voorstellen dat een paar stokjes met wieken aan de horizon daadwerkelijk gaan zorgen voor minder toeristen. Drukke toegangswegen, rotzooi op het strand, harde muziek, vervelende badgasten en industrie in de buurt doen dat wel.

Bronnen:

http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/10/04/antwoorden-op-schriftelijke-vragen-bij-de-begroting-van-economische-zaken-2014/antwoorden-op-schriftelijke-vragen-bij-de-begroting-van-economische-zaken-2014.pdf

http://www.bnr.nl/nieuws/politiek/891467-1402/bouw-windmolens-kost-6000-banen

http://www.schouwen-duiveland.nl/dsresource?objectid=15756&type=org

http://nl.scribd.com/doc/80016257/Waarde-kust-recreatie-intensiteit-bestedingen-en-werkgelegenheid-in-relatie-tot-toerisme-en-recreatie-aan-de-Nederlandse-kust

http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/06/27/quickscan-haalbaarheidsstudie-windparken-binnen-12-mijlszone/quickscan-haalbaarheidsstudie-12-mijlszone.pdf

http://www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/01/24/beantwoording-kamervragen-over-het-bouwen-van-windmolens-op-zee/beantwoording-kamervragen-over-het-bouwen-van-windmolens-op-zee.pdf

http://www.anwb.nl/bestanden/content/assets/anwb/pdf/vrije-tijd/zka-samenvatting.pdf

http://www.ecofys.com/files/files/ecofys-2014-argumentendocument-nearshore-windenergie-nederland.pdf

http://www.energytracker.nl/nl/http-www-energeia-nl-news-php-id-53609

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2664/Nieuws/article/detail/3519190/2013/10/01/Overheid-moet-groene-energie-afdwingen.dhtml

Groenste energieleverancier?

Over groene stroom is veel te doen. Want wat is precies groene stroom? De elektronen die uit het stopcontact komen, zijn immers niet groen of grijs. Groene stroom is stroom uit duurzame energiebronnen, zoals windturbines, waterkrachtcentrales en zonnepanelen. Deze stroom wordt in het elektriciteitsnet ingevoed, net zoals stroom uit kolen- en gascentrales. Alle elektriciteit komt dus ‘op de grote hoop’ terecht. Afnemers, zoals bedrijven en huishoudens, betrekken vervolgens stroom van het elektriciteitsnet.

In Nederland en andere landen wordt de productie van duurzame elektriciteit gesubsidieerd. Op die manier groeit het aandeel duurzame stroom in de elektriciteitsmix. In EU-verband is afgesproken dat elke lidstaat een specifieke doelstelling moet halen. Nederland moet 14% van het energieverbruik in 2020 duurzaam opwekken. Parallel aan dit systeem bestaat er een systeem van Garanties van Oorsprong. Elke duurzame energie-installatie krijgt voor elke MWh (1 MWh = 1.000 kWh) die het opwekt een zogenaamde Garantie van Oorsprong. Deze GvO toont aan dat de stroom duurzaam is opgewekt. Deze GvO’s kunnen (internationaal) verhandeld worden.

Omdat alle stroom op de grote hoop terechtkomt, kunnen energieleveranciers met GvO’s aantonen dat zij stroom groen inkopen. Wat zij dan feitelijk doen, is grijze stroom (stroom uit kolen- en gascentrales met een klein aandeel duurzame elektriciteit) op de elektriciteitsmarkt inkopen en deze ‘vergroenen’ door er een GvO aan vast te plakken. Maar dat betekent ook dat de stroom die is opgewekt met een duurzame energie-installatie niet per definitie als groene stroom mag worden verkocht, omdat de GvO immers al aan een andere kWh is toegekend. Stroom en GvO’s zijn dus twee verschillende markten.

In principe is er niets mis met dit systeem. Toch gaat er iets mis. Want het systeem werkt alleen goed als alle EU-lidstaten er even serieus aan meedoen. Dat is echter niet het geval. De Noren geven weinig om de GvO’s die hun waterkrachtcentrales opleveren en verkopen ze op de markt. De Noren zelf gaan er vanuit dat hun stroom groen is, maar de klanten van energieleveranciers die groene stroom kopen door middel van deze GvO’s ook. Er is dan sprake van dubbeltelling. Omdat veel lidstaten eigenlijk niet serieus meedoen met de handel in GvO’s, zijn ze weinig waard en kunnen ze voor een habbekrats worden gekocht. Een belangrijk punt dat hiermee samenhangt, is het feit dat deze handel in GvO’s niet bijdraagt aan de hernieuwbare energiedoelstellingen van de lidstaten. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan zou het inkopen van GvO’s uit Noorwegen bijdragen aan de duurzame energiedoelstelling van Nederland. Het resultaat zou natuurlijk zijn dat er een serieuze handel ontstaat. Dat is nu niet het geval. Het is dan ook begrijpelijk dat verschillende organisaties kritiek hebben geuit op de handel in GvO’s en de verkoop van door GvO’s vergroende stroom.

Zeven organisaties met een breed maatschappelijk draagvlak –  Consumentenbond, Greenpeace, Hivos, Natuur & Milieu, Vereniging Eigen Huis, Wereld Natuur Fonds en WISE – deden een onderzoek naar de duurzaamheid van energieleveranciers en presenteerden deze week de resultaten. De ‘ranking’ van energieleveranciers kreeg ruime aandacht in diverse media. Aan het onderzoek is een actie gekoppeld om consumenten ertoe te bewegen over te stappen naar een groene energieleverancier.

Al snel ontstond er discussie over de kwaliteit van het onderzoek. Welke uitgangspunten worden gehanteerd? Welke keuzes worden er gemaakt? Hier Klimaatbureau, dat gesponsord wordt door Essent, reageerde direct en vond dat Essent onterecht onderaan de ranglijst bungelt. Het bijstoken van biomassa wordt in het onderzoek immers op gelijke voet geplaatst met het verstoken van kolen en gas. Essent stookt veel biomassa bij in haar kolencentrales, maar wordt daarvoor niet gewaardeerd, omdat de milieuorganisaties biomassabijstook niet duurzaam vinden. Hoewel de reactie van Hier Klimaatbureau geen slimme zet is – want hoe onafhankelijk is zij nog? – zet zij wel aan het denken. Wat ook te denken geeft, is het feit dat de milieuorganisaties (met uitzondering van Greenpeace) verdienen aan de actie waarmee consumenten worden overgehaald over te stappen naar een andere energieleverancier. Er wordt immers samengewerkt met vergelijkingssite Prizewise en via Prizewise krijgen de vier milieuclubs een fee per overgestapte klant. Natuur en Milieu wordt daarnaast gesponsord door Eneco en het WNF heeft een strategische samenwerking met Eneco. Dus ook hier kan de suggestie worden gewekt dat de betrokken partijen niet geheel neutraal zijn.

Uiteindelijk draait het mij om de argumentatie en de methodologie, niet om allerlei vragen over vooringenomenheid. In het onderzoek worden energieleveranciers in Nederland beoordeeld op basis van twee criteria: 1) de eigen productie, inkoop en levering; en 2) de investeringen en desinvesteringen in de periode 2010-2013. Als een energieleverancier geen eigen productiecapaciteit heeft, wordt zij alleen op grond van het eerste punt beoordeeld. Voor de specifieke invulling en uitwerking van deze criteria verwijs ik naar het rapport.

De methodologie roept bij mij allerlei vragen op.

  • Waarom is gekozen voor de periode 2010-2013? Stel dat een energieleverancier in 2014 fors investeert in duurzame energie of fors heeft geïnvesteerd in 2009, dan komt deze er bekaaid vanaf. Is dat eerlijk?
  • Waarom spelen (des)investeringen zo’n belangrijke rol in de beoordeling? Stel dat een energieleverancier met alleen maar duurzame productiecapaciteit niet heeft geïnvesteerd in de periode 2010-2013, is de stroom dan minder groen?
  • Zouden andere criteria niet tot andere uitkomsten leiden? Voorbeelden van andere criteria zijn: hoeveel onderneemt de energieleverancier om haar klanten te stimuleren energie te besparen? Hoe stelt de energieleverancier zich op ten aanzien van een hogere CO2-prijs of CCS?
  • Waarom worden ppa’s (power purchase agreements) als eigen productie beschouwd? Deze stroom wordt toch eigenlijk ook ingekocht en behoort niet tot de eigen capaciteit van een energieleverancier?
  • In het rapport staat de volgende opmerking: “Het was helaas onmogelijk om rekening te houden met de verhouding tussen de investeringen en de omvang van het bedrijf.” Is deze verhouding niet juist heel essentieel?
  • Is er rekening gehouden met de doelgroep van de energieleveranciers? Met andere woorden: aan wie leveren de energieleveranciers (consumenten, bedrijven, industrie) en wat betekent dat voor de beoordeling?
  • Is het terecht dat biomassabijstook in kolencentrales gelijk wordt gesteld aan kolen en gas? Het kan waar zijn dat biomassabijstook leidt tot het (gesubsidieerd) langer openblijven van kolencentrales, maar is dat argument valide? Je kunt immers de vraag omdraaien: gaan de kolencentrales eerder dicht als biomassa niet wordt meegestookt? Dat er sprake is van subsidie kan geen argument zijn; dat geldt immers ook voor de andere vormen van duurzame energie.
  • Hoe worden de GvO’s uit binnen- en buitenland gewaardeerd? Welke methode en uitgangspunten worden daarbij gehanteerd? Is Duitse windstroom minder ‘groen’ dan Hollandse windstroom?
  • Is het terecht dat stroom uit gascentrales als duurzamer wordt beoordeeld dan stroom uit biomassabijstook? Is het terecht dat stroom uit afvalverbranding in de middengroep staat? Waarom staat kernenergie in de minst duurzame categorie? Is deze stroom niet vrijwel CO2-neutraal? Kortom: wat is het criterium?
  • Is onderzocht hoe de handel in GvO’s door de groene energieleveranciers met eigen duurzame productiecapaciteit is geregeld? Verkopen zij de GvO’s (altijd) samen met de stroom of verkopen ze beide (ook) apart? Komt het voor dat de GvO’s van eigen windturbines worden verkocht en GvO’s uit Noorse waterkracht worden gekocht?

Op al deze vragen zijn verschillende antwoorden mogelijk met verschillende rankings als resultaat. Ik vind het onderzoek methodologisch onvoldoende helder (op basis van wat ik heb kunnen lezen). Weten we nu wat echte groene stroom is? Ik vind van niet.